26/07/18 Vive le Tour!

‘Als jij wat zou poweren, hé,’ zei hij terwijl hij mijn rondborstige romp en bonkige dijen monsterde, ‘dan was je de nieuwen John.’

Jij, dat was ik.

Hij, dat was Zijne Jovialiteit Paul Herijgers, chauffeur van de gasten van Vive le Vélo.

En den John, dat was John Degenkolb die net voorbij was gereden richting startpodium.

Paul bevestigde het ideaalbeeld dat ik mezelf ook al jaren wijsmaak. Dat er misschien wel een geboren atleet aan mij verloren is gegaan. Misschien. Misschien ook niet. Waarschijnlijk niet.

De realiteit is dat het ter gelegenheid van de 250ste aflevering van Vive le Vélo 250 graden warm is - Celsius dan nog - en dat mijn broer en ik staan te blinken in startplaats Trie-sur-Baïse.  Van het zweet, zeker, maar minstens evenzeer van contentement.

De Fransen mogen dan oersaai voetbal spelen, chauvinistische antisupporters zijn en verschrikkelijk slechte 3G-ontvangst aanbieden, ze beschikken wél over de Tour de France. En na welgeteld 5 seconden in dat reizende circus werd ik weer midscheeps geraakt door onversneden nostalgie.

Want wie was de eerste man die ik in mijn ooghoek ontwaarde? Niemand minder dan Dag-Otto Lauritzen! De blonde Noorse god zag er nog even blond, Noors en goddelijk uit als in de jaren 80 en leek te schrikken van mijn enthousiaste herkenning. (Ik had misschien beter geen ‘dag’ gezegd toen ik hem groette, maar soit.) Dag-Otto Lauritzen, dat is een van die ‘exotische’ namen die me als kind betoverden en me als een blok deden vallen voor het wielrennen. De Laudelino Cubiño van het Noorden. Even later kruisten we het pad van Allan Peiper, nog zo’n retro-held. 

De Tour mag soms wat eentonig lijken, en ik word nog weleens overvallen door scepticisme, maar al die reserves smolten vandaag als mijn vetcellen in de zon. Die speciale badge zal wel geholpen hebben, maar de hoofdrolspelers zijn na al die jaren nog altijd verbazend benaderbaar. Julien Vermote en Sep Vanmarcke, die mij van haar noch pluimen kennen, ontvouwden complexloos hun aanvalsplannen. De aanblik van Steve Bauer, Fabio Baldato en Julien Bernard (gespogen zijn vader Jean-François) katapulteerde me terug in de tijd. En mijn bewondering voor Steven Kruijswijk - als Koperen Kogel zo’n hitte trotseren - is vertienvoudigd.

En dan moest de rit nog beginnen…

Aan de zijde van Paul en in het gezelschap van collega-gevoelsmens Klaas was het waarlijk magisch om voor het peloton uit over het parcours in Zuid-Frankrijk te cruisen. Al die mensen, die ontelbare mensen die reikhalzend uitkijken naar de komst van de renners - saaie Tour of niet! Of hopen ze dat we een achteropgeraakte auto van de karavaan zijn die nog een sleutelhanger of een salami’tje door het raam gaan gooien? Van 2 tot 99, werkelijk elke Fransoos aan de kant zwaait zijn armen uit de kom zodra er beweging aan de horizon gloort. En als Paul dan ook nog eens op zijn tudeludeludelu-pedaal duwt, worden we helemaal door volkse vreugde overspoeld.

De Tour de France betovert nog steeds. Toch zeker voor één dag, als je een bevoorrechte bezoeker bent en gewoon ongegeneerd 171 kilometer mag glunderen. Om uiteindelijk tot de geruststellende conclusie te komen dat oude liefde niet roest. Zelfs niet bij een Koperen Kogel.

En nu moet ik weg. Want ik moet sebiet met mijn geschminkte smoel op den tv!

De Koperen Kogel