04/05/18 Beter doen dan in Mexico, hoe realistisch is dat eigenlijk?

‘Frankrijk wordt wereldkampioen’, verklaarde zoon nummer twee gisteren met stelligheid. Voor hem lagen enkele vellen papier waarop alle wedstrijden van het komende WK in Rusland gekribbeld stonden, met daarachter een zelfverzonnen uitslag. ‘In de finale wint het met 1-0 van Duitsland.’
Genen zijn wonderbaarlijk. Een kleine dertig jaar geleden deed ik identiek hetzelfde in de aanloop naar de Mondiale 90. Ik deed er op papier wel alles aan om België wereldkampioen te maken. (David Platt stond niet eens in mijn Panini-boek, hoe kon ik dát dan voorspellen?) Zoonlief daarentegen staat nuchterder in het leven. Volgens hem stranden de Rode Duivels in de halve finales. ‘In de kwartfinales verslaan ze Brazilië na verlengingen, maar tegen de Duitsers gaan ze eruit.’

Maar hoe realistisch is dat eigenlijk, die laatste vier? Volgens Eric Gerets is deze generatie het aan zichzelf verplicht om minstens even goed te doen als die van hem in 1986. En zelfs ik, nostalgicus in bijberoep, zal vanaf half juni elke dag tot Santitar bidden dat die eeuwige herinnering eindelijk plaatsmaakt voor een nieuwe golf van nationale euforie. 
Komaan zeg, Nico Claesen? Die mocht na Mexico naar Tottenham, en hoewel houterige houthakkers toen nog de dienst uitmaakten in Engeland, kon de vinnige pocketspits zich nooit doorzetten. Anno 2018 behoren drie landgenoten tot het stijlvolle meubilair van de Spurs. En naar verluidt loopt er bij Chelsea en de beide Manchesters ook nog wat Belgische kwaliteit rond. 

Toch volstaat dat niet om wereldkampioen te worden. Tenminste, als we het International Centre for Sport Studies (CIES) mogen geloven. Dat is een of ander saai Zwitsers bureau – toen ik de website bezocht, droogden mijn oogballen terstond op – waar een groep ambtenaren hebben voorspeld wie het WK voetbal gaat winnen. En ze zijn daar nog voor betaald ook. Hun conclusie is dat Spanje de hoofdvogel gaat afschieten. 

De uitleg: van dat land hebben de 23 vaakst geselecteerde spelers de meeste speelminuten verzameld in de belangrijkste competities. Als bakermat van La Liga, met clubs als Real Madrid, FC Barcelona en Atlético Madrid, is Spanje geen onlogische topkandidaat. Ter vergelijking: van de Belgische top 6-teams riep Roberto Martinez de laatste keer drie spelers op: Sels, Dendoncker en Limbombe. De beste Belgen moeten al jaren de keiharde concurrentie in het buitenland aangaan. Of ze kiezen voor Chinese clubs van wie niemand de naam onthoudt. Ons land staat in de prognose van de Zwitserse cijferaars dan ook pas op plaats zes. Geen halve finale.

Het toeval wil dat ik me een half jaar geleden, als complete leek inzake statistiek, aan een soortgelijke kwaliteitscontrole heb gewaagd. De waardemeter die ik daarbij hanteerde was aanwezigheid in de halve finales van de recentste Champions League-campagnes. Onze zogenaamde gouden generatie scoorde daar in november nog heel zwak op. Hoopgevend was wel dat toen nog een tiental Rode Duivels meedansten op het kampioenenbal, maar in de zopas afgelopen halve finales bleven er daar helaas maar twee van over. Een keeper die net als bij de nationale ploeg de bank verwarmt, en een middenvelder die vanwege zijn grilligheid naast en op het veld (tegen Liverpool één tegengoal op zijn vleesklak en twee goals gemaakt) niet eens zeker is dat hij wordt opgeroepen voor Rusland. Daar zijn we vet mee als we de halve finale willen bereiken.

Gelukkig ben ik het soort pessimist dat irrationeel optimistisch wordt wanneer het om voetbal gaat, daarbij dooddoeners verkondigend als: ‘In voetbal kan alles.’ Wie had verwacht dat Liverpool en Roma de halve finales van de Champions League zouden bereiken? Wie had gedacht dat Nico Claesen de Sovjets op strafkamp naar Siberië zou sturen? En hoe komt het dat Anderlecht nog altijd kans maakt om kampioen te worden? (Nee, wacht, dat laatste komt door de kunstmatig opgeklopte spanning van die verrekte play-offs.) 
Daarom hoop ik, diametraal tegen beter weten in, dat de Rode Duivels van Brazilië én Duitsland kunnen winnen. Of zoals Will Tura placht te zingen: ‘Misschien wel wereldkampioen!’

Eén ding is zeker. Als deze voorspelling bewaarheid wordt (en als mijn carrière als columnist niet van de grond komt), dan solliciteer ik bij het International Centre for Sport Studies. En als ik te naïef word bevonden, beveel ik mijn nuchtere zoon aan.

De Koperen Kogel