07/04/18 De Hemel van het Noorden (deel 3)

Achter ons daalt een helikopter af tot net boven de grond. Ik zwaai nog even naar de camera die ik me misschien zelfs inbeeld, en dan is het focussen geblazen.
Een eerste stofwolk aan de einder. Duclos en Ballerini zijn aan onze strook begonnen.
Toeterende auto’s flirten met mijn tenen, motards scheuren vervaarlijk door de bochten.

‘Allez, Gilbert! Allez, Franco!’

Twee minuten later. Een tweede groepje. Vier silhouetten.
‘Is hij er nog bij?’ 
Ik herken de Lange van Gooreind al van ver. ‘Ja, hij is er nog bij.’
‘Edwig! Edwig! Edwig! Edwig!’ schalt over de Noord-Franse stenen.
Van Museeuw, nochtans een West-Vlaming, zijn we ten huize Delrue nooit fan geweest.

De rest van het verbrokkelde peloton passeert in groepjes van hoogstens vijftien man, wat mij in de mogelijkheid stelt om de meeste renners te herkennen en hun namen luidkeels af te ratelen (Bauer! Nijdam! De Wolf! Redant! Frison! Ghirotto!) zodat de koersanalfabete omstanders meteen ook weten voor wie ze staan te joelen. Als wederdienst proberen zij – vooral mijn ma en mijn zus – zoveel mogelijk rugnummers te herkennen en te onthouden, zodat we tussen twee groepjes door even mijn waterdichte deelnemerslijst kunnen raadplegen. 
‘Wilfried Peeters reed er ook tussen.’

‘Ze draaien de velodroom op’, roept mijn vader plots, de radio tegen zijn oor geperst.
Iedereen dromt zo dicht mogelijk om hem heen. Fotofinish! Duclos of Ballerini? De Italiaan gooit vol overtuiging zijn handen in de lucht, klinkt het.
‘Ballerini a gagné’, roepen we naar de volgende sliert renners die aan ons voorbij dendert. Een ploegmaat van GB-MG (was dat Tchmil, zo ver?) fleurt op, iemand van GAN schudt ontgoocheld het hoofd.

‘Nee, ze waren mis’, laat pa even later weten. ‘Het is Duclos! Duclos heeft gewonnen!’
‘Is dat niet dezelfde als vorig jaar?’ vraagt mijn moeder.

Ik ben oprecht blij voor de oude Fransman, maar voel me ook schuldig om de foute informatie die ik zonet heb doorgebruld. Een sportjournalist in spe onwaardig…

***

Op de terugweg naar onze auto’s worden we nu en dan opgeschrikt door het schrille fluitje van een politieagent. Achtergebleven enkelingen, soms duo’s of trio’s, slalommen zich een weg tussen de wandelende toeschouwers. Gelukkig tonen wij het nodige respect voor deze helden, die koste wat het kost de velodroom willen bereiken. Zelfs al is hun achterstand te groot om nog in de officiële uitslag te worden opgenomen, ze zullen met recht en rede aan hun kleinkinderen kunnen vertellen dat ze Parijs-Roubaix hebben overleefd.

Bij het begin van de kasseistrook houden we nog even halt. Dat hoort zo.
Toch is er altijd wel een onwetende die zich afvraagt waarom we nog niet naar huis terugkeren.
En altijd heeft mijn vader hetzelfde antwoord klaar: ‘Zolang de bezemwagen niet is gepasseerd, is er nog minstens één renner op komst.’ Wij willen namelijk waar voor het geld dat we niet hebben moeten betalen.
De gendarme die het parcours vrij moet houden, bevestigt dat er nog volk achterop is gebleven. Dus wachten we. En diepen we – zoals elk jaar – die ene anekdote op. Misschien wel mijn eerste bewuste herinnering aan de koers.

Het was op deze plek.
Het regende, het waaide, de renners hadden er stuk voor stuk uitgewoond uitgezien.
Er was zeker drie kwartier verstreken sinds de koplopers voorbij waren gekomen, maar in de verte dook nog één gedaante op. Met daarachter, maar op respectabele afstand om niet té opdringerig over te komen, de voiture-balai. 
Ondanks de smurrie was het zwarte dambordmotief op de niet meer zo witte achtergrond te herkennen. Een renner van Peugeot.
De hardnekkigsten der toeschouwers, waar wij toen al toe behoorden, trakteerden hem op een luid applaus en de best bedoelde aanmoedigingen.
De man in kwestie antwoordde met een zwaaiende vuist en enkele Franse krachttermen.
Iets met ‘foutez’ en ‘gueule’.
Stank voor dank? Nee. Alle begrip. En bewondering.

De stakker zou de Hel weldra achter zich laten. Voor mij heeft zich die namiddag de poort naar de Hemel geopend.

De Koperen Kogel