05/04/18 De Hemel van het Noorden (deel 1)

De bel gaat.

‘Daar zijn ze! Wie gaat opendoen?’
Ik leg mijn schaar neer en sprint op mijn sokken naar de voordeur.
‘Hey Thijzeman, is je lijstje al klaar?’
Elk jaar, op de tweede zondag van april, is dat de eerste vraag die ik krijg wanneer de familie uit de Noorderkempen in Rekkem neerstrijkt. 
‘Ben ermee bezig’, antwoord ik met een brede grijns, waarna ik mijn tantes, nonkel, neven, nichten en aanhangsels begroet met een kus. Zo gaat dat in onze familie.

Ik wijd me opnieuw aan mijn heilige taak: de deelnemerslijst – mét rugnummers uiteraard – zorgvuldig uit de krant knippen. Die krant, dat is niet De Standaard, waarop wij thuis geabonneerd zijn. Want die is toevallig niet de standaard wanneer het op sport aankomt. Eén schamele pagina, daar moet ik het elke dag mee stellen! 
Nee, op sportieve hoogdagen loop ik via het tuinpad, achter de buren door, naar mijn tante op de Plaats. Zij leest Het Volk(ske) en staat met plezier het sportkatern af aan haar wielergekke neefje. Zo ook vanochtend.
Eenmaal de lijst is uitgeknipt, zoek ik in de hooiberg die mijn vaders bureau is, naar een stevig stukje karton. De achterkant van een grote bruine enveloppe kan perfect dienstdoen als versteviging. Met een half verstorven tube Pritt – het is waarschijnlijk weer een vol jaar geleden dat iemand die heeft gebruikt – kleef ik de lijst op het karton. Nu nog de favorieten aanduiden met een gele markeerstift, zodat we die rugnummers alvast een beetje kunnen memoriseren. 

‘En wat als het regent?’ vraagt mijn neef, die plots achter me is opgedoken.
Hij heeft gelijk. 
Toen ik als piepkleine pagadder op automatische piloot stond te klappen voor Kuiper, Kelly, Madiot, de oude Moser, en later voor Eric Vanderaerden, viel het water met bakken uit de lucht. De greppels langs de kasseistroken brokkelden af, het slijk stroomde over de stenen, de modderfiguren die omzichtig balancerend uit de bocht kwamen gedokkerd waren nauwelijks te herkennen. Maar dat bedierf onze pret niet. In navolging van opa en papa juichten we ieder van hen met evenveel vuur toe. En als ik het al koud kreeg, dan vond ik soelaas in het vooruitzicht van een stomende kop Oxo na onze thuiskomst. Met extra selderijzout!

De voorbije jaren was het vaker droog dan nat, en ook vandaag is geen regen voorspeld. Maar het zwerk kleurt egaal en onpeilbaar wit, dus neem ik het zekere voor het onzekere. Van mijn hartgrondige hekel aan knutselen valt weinig te merken als ik een hoger doel voor ogen heb: stiekem verknip ik een mapje van mijn pa en span ik het plastic vel over het karton. Enkele nietjes moeten alles op zijn plaats houden. Mijn waterdichte deelnemerslijst is klaar.

***

De kalkoenbillen met mama’s overheerlijke mandarijnsaus schudden mijn buik door elkaar. Te snel gegeten? Zenuwen? Of leef ik zelfs fysiek mee met de hotsende en botsende renners op televisie? 
‘Hoe ver nog naar het bos?’ klinkt het vanaf de feestdis.
‘Nog dertig kilometer’, antwoord ik vanaf het puntje van de zetel.
Het sein voor mijn vader om in actie te treden. Hij staat recht en gaat naar boven. Vijf minuten later hoor ik hem op de achtergrond grommen en vloeken. Tot zijn ergernis is de draagbare radio slash cassettespeler van broer Tom in nog slechtere staat dan vorig jaar. Wanneer hij het toestel opent om er nieuwe batterijen in te stoppen – ieder heeft zo zijn verantwoordelijkheid vandaag – merkt hij dat niet alleen de buitenkant, maar ook de binnenkant van het toestel behoorlijk verkalkt is geraakt. Door de wasem in de badkamer. Dat is de prijs die wij willen betalen om vanuit ons hete bad naar muziek te kunnen luisteren. 

De contactjes zijn blijkbaar niet beschadigd, want plots komt de radio tot leven. Maar nu wacht het moeilijkste deel van vaders missie: het metalige gepiep en geknars omzetten in verstaanbaar wielercommentaar. Het wordt geen sinecure om de juiste frequentie te vinden, want de antenne is in de loop van de voorbije twaalf maanden met de helft korter geworden. Afgekraakt. Hoe? Dat is een raadsel. De dader heeft zich tot op heden niet bekendgemaakt. Ik pleit in elk geval onschuldig.

De Koperen Kogel