05/01/18 Afscheid van een vriend

Ik was net 19 geworden, de Festina-Tour was achter de rug, en samen met twee boezemvrienden had ik beslist om in september de Alpen te gaan bedwingen, zonder prestatiebevorderende middelen welteverstaan. Maar ik had nog nooit gekoerst, mede bij gebrek aan een ‘koersepiste’. (Dat is het West-Vlaamse woord voor ‘racefiets’, vraag me niet waarom, ik weet het niet, het slaat nergens op.)

En dus trok ik naar de gereputeerde fietsenzaak Capino, vlak bij de finishlijn van Gent-Wevelgem. Daar kreeg ik van mijn pa geen Bianchi of Colnago cadeau, maar een ‘eigenhandig geassembleerde’ state-of-the-art-Capino. Met klikpedalen, vitessen aan de remmen, en bovendien op te heffen met één pink. (De Delrues hebben sterke pinken.) Mijn twee maten - iets ervarener in het koersen - konden het likkebaarden amper verbergen.

Na een hoogtestage van één dag op en rond de Kemmelberg loodste dit zilveren juweeltje me in een kleine twee weken over de Chamrousse, de Col de Porte en de Col du Cucheron en weer de Col de Porte, de Lautaret, les Deux Alpes (het is er eigenlijk maar één, maar soit), de Izoard, de besneeuwde Galibier en Alpe d’Huez. Ik waande me een wielrenner, maar de waan was van korte duur.

Op een zeldzame sprint over de Poverleute na - en één keer het trio Kluisberg/Kwaremont/Paterberg - bleef mijn tweewieler namelijk veel te vaak op stal, de duimen leggend voor studies, dorst en libido. Na een korte Leuvense periode van herwaardering waarin ik onder meer de Smeysberg en de Chartreuzenberg meermaals beklom, volgde opnieuw verwaarlozing. Dit keer te wijten aan afmattende kinderen en gaandeweg ook luiheid.

Pas toen mijn aderen echt bijna helemaal dichtgeslibd waren - ik woonde toen al in de Kempen - borstelde ik de spinnenwebben weg en fietsten we samen eindeloze kilometers langs het Albertkanaal. Nog steeds was hij soms de dupe van te veel wind (altijd op kop, heen en terug, om zot te worden), te veel regen of mijn berusting in mijn overgewicht. Alleen op een zeldzame goeie dag waagde ik me aan de Poggio (die van Diest), de Kaaskorf en de andere kuitenbijters van de Hagelandse Heuvelrug. 

Maar de liefde overwon en leek wederzijds. Tot die zonnige zomerse namiddag waarop ik besliste een stukje in te korten door het park van Herenthout te doorkruisen. Een suffe, puistige puber, net klaar met een potje stiekem smoren, kwam van rechts achter een struik gefietst. Boenk erop. Zelf bleef ik ongedeerd, de jongen ook, mijn voorvork was lichtjes doch onherstelbaar geplooid. 

Nadat ik voor de open lucht een dertien-in-een-dozijn-Specialized had gekocht, schroefde ik mijn vintage Capino vast op mijn rollen op zolder, alwaar hij me er vorig jaar tien kilo’s heeft helpen af te zweten. Het bleek helaas het laatste kunststukje, want de scheve voorvork bleek me ook een scheve rug te bezorgen.

Na net geen twintig jaar trouwe dienst, met veel aantrekken en afstoten, heb ik gisteren met pijn in het hart afscheid genomen van mijn Capino. Niet toevallig een anagram van COPAIN. Adieu.

De Koperen Kogel