25/09/17 Misplaatste nostalgie
Zoals wel vaker de laatste jaren, heb ik mezelf tijdens het WK gisteren betrapt op de vaststelling dat de nivellering in het peloton, de verwetenschappelijking van de begeleiding en het toenemende belang van tactiek (omdat individueel talent nog maar zelden volstaat) de spektakelwaarde van de sport aan het kelderen zijn.

 

 

 

Daarmee gepaard welde een soort heimwee op naar ‘toen ik jong was’. Toen ik elke klassieker en elke Touretappe vanaf het begin van de uitzending aan de buis gekluisterd zat. Toen ik na afloop de resultaten intikte op mijn vaders eerste Macintosh, met de bedoeling een gigantisch wielerarchief op te bouwen vanaf 1990 dat me later van pas zou komen als ik zelf commentator zou worden, op de motor of aan de finish. Maar vooral: toen er van ploegenspel amper sprake was en individuele vedetten er vanaf het startschot invlogen (in plaats van de neus pas in de laatste rechte lijn aan het venster te steken).

 

 

 

Die nostalgie is uiteraard compleet misplaatst. Dat besef kwam vanochtend keihard binnen toen ik - op de rollen, jawel - eindelijk de schitterende Belga Sport-documentaire zag over de dramatische Tour de France van de Lotto-ploeg in 1995. Getiteld: ‘Gesneuveld op La Plagne.’ Dankzij een ontketende Alex Zülle, die er van bij de eerste col een serieuze snok aan gaf, bolde/wankelde de helft van de Lotto-renners bijna een uur na de bebrilde Zwitser over de streep. Buiten tijd. Ze werden door ploegleider, media en publiek weggehoond. Ook door mij. Niets werd toen al uitgesproken, en op mijn zestiende was ik nog naïef.

 

 

 

‘Zülle en consorten zijn later wel betrapt, maar ze hebben wel een chique villa en een appartement’, getuigde een van de gesneuvelden. ‘Die mannen hebben ons wel veel centen afgepakt. Anders had ik nog enkele jaren goed mijn brood kunnen verdienen als prof. Nu moest ik plots gaan werken.’

 

 

 

Een hele generatie renners werd een identiteit ontnomen. Een inkomen. Een droom. Die woorden raakten mij midscheeps, omdat ook mijn ambitie enkele jaren later in rook opging. Hoe kon ik van mijn passie - die ook bijna samenviel met mijn identiteit - mijn beroep maken als die gestoeld was op georganiseerd bedrog? Als toekomstige collega’s jarenlang blind of hypocriet waren geweest? Niet, was mijn besluit. Ik was een jaar of twintig, en die ene zekerheid die ik had, maakte plaats voor een gapende leegte. Net zoals voor al die jonge renners die hard konden rijden, maar plots beseften dat ze nooit op een podium zouden staan. Tenzij...

 

 

 

Intussen is de zweer uitgebarsten en is er gretig in ‘gekoterd’, maar tegenwoordig merk ik weer dat oude koeien er vooral zijn om met de mantel der liefde te bedekken. Dat de Vlaamsche liefde voor heroïek, de bewondering voor het afzien - het liefst met een trappist ter hand vanuit de luie zetel of de viptent - het ten langen leste altijd haalt van ethische bezwaren. Dat de helden van weleer nog steeds op een piëdestal worden gezet, zij het soms met de vergoelijking dat ‘ze tenslotte allemaal aan het spul zaten’. En dat baart me enigszins zorgen.

 

 

 

Want nu wielrennen steeds meer herleid wordt tot wat het eigenlijk is - een grote groep sportievelingen op een fiets die samen naar een streep rijden - zou de hang naar meer spektakel weleens opnieuw een valkuil kunnen worden. Als een moraalridder als ikzelf zich al op nostalgie betrapt, wat moet dat dan zijn in een wereld waar een dubbele moraal nooit ver weg is (geweest)? Daarom adviseer ik alle renners, ploegleiders en journalisten: kijk (nog) eens naar die ene aflevering van Belga Sport. En let op de knik in de stemmen van Peter De Clercq en Rudy Verdonck.

 

De Koperen Kogel