11/04/16 Oude liefde roest niet helemaal

25 september 2005.

Mijn echtgenote en ik zitten dik te wezen in de zetel. Zij omdat ze zwanger is van onze eerste zoon, ik uit solidariteit. Alsof we nog niet genoeg onder hoogspanning staan - onze eerste erfgenaam was twee dagen eerder uitgerekend - tovert het peloton op het WK in Madrid een saaie wedstrijd om in een regelrechte thriller. 

In de slotkilometer smelt alles samen, waarna één renner plots naar de eerste rij stuift. Is hij het? Ja, hij is het! En hij houdt vol, tot aan de streep. Armen in de lucht. Michel herkent hem ook, beter dan zijn RTBF-collega in elk geval, en schreeuwt de ondertussen moe gehoorde woorden. Maar wij horen ze niet, want vrouwlief krijst erbovenuit, onderwijl op en neer springend in de zetel. ‘Onze oudste’ verslikt zich in het vruchtwater, maar dat weerhoudt hem er niet van om nog een achttal dagen te ‘surplacen’. 

Vijf minuten later vraagt mijn moeder me over de telefoon of we onze eerste zoon niet ‘Tom’ moeten noemen. Een fractie van een seconde overwegen we het, zo hard drukken we de Koersende Kempenzoon aan ons hart. Niet zozeer vanwege zijn talent, maar vanwege zijn onweerstaanbare babbel, die op zeldzame wijze branie en relativering combineert. Zijn pretoogjes zijn het perfecte tegengif na de jarenlange hoogdravendheid van zijn zelfverklaarde mentor Museeuw. Boonen is de nuchtere versie van de al even populaire Frank Vandenbroucke. Zijn stampers staan stevig in de Vlaamse klei.

10 april 2016.

Na alle pech van de voorbije seizoenen, na alle twijfels bij zijn eigen paraatheid en die van zijn ploeg, schittert Tom Boonen als vanouds in de zinderende finale van de allermooiste koers. Zijn koers. Nog tien kilometer. Elke wielerfan wil dat die vijfde kassei op zijn schouw prijkt.

Ik niet echt. Niet meer. Niet om tegendraads te doen, want zo zit ik niet in elkaar. Maar er is in elf jaar gewoon te veel veranderd. De Vlaamse klei bleek nogal los Kempisch zand te zijn. Sportieve successen gingen gepaard met auto’s, vrouwen, belastingontduiking en poeder. Doorgaans heb ik wel een boon voor rock-’n-roll-figuren in de sport, maar normvervaging is mijn inziens geen kwaaltje dat geneest zodra je op een zadel zit. Dat hij al jaren wordt bijgestaan door Patrick Lefevere en ‘de niet meer zo Fitte’ Peeters, die alle stormen ongeschonden hebben doorstaan, helpt niet bepaald om mijn argwaan te temperen.

Wat mij betreft kunnen de erelijsten van het wielrennen dus niet snel genoeg bevolkt worden door nieuwe namen. Greg, Sep, Peter… Tijd voor ander en … Vooral ander. 

Nog drie kilometer. Mijn sceptische overwegingen worden in de prak gereden door het voorgeschotelde spektakel. Anno 2016 blijkt de voorraad cartouches niet langer eindeloos: de vijf koplopers zitten stuk voor stuk kapot. Ook hij. Toch valt hij aan, countert hij, klampt hij aan. 

En dan, haast onmerkbaar, gebeurt het: ik val weer voor de renner Tom Boonen. Ik supporter weer, laat me weer meeslepen, vraag me af waarom hij die nóg krassere knar naar de kop laat komen en … 

Nee, ik vloek niet. Liever een onverwachte, dramatische wending dan het gedroomde Hollywoodscenario. En Hayman mag dan net zozeer van de ‘oude generatie’ zijn, het is misschien geen toeval dat hij nu eindelijk wél meestrijdt voor de knikkers. Ontgoocheld ben ik dus niet. 

Net zo min als Boonen zelf blijkbaar, die de verdiende winnaar omhelst, van oor tot oor glundert op het podium en de journalisten uitvoerig te woord staat. Een en al liefde voor zijn vak, trots op het geleverde schouwspel, de nederlaag relativerend. Een Kempische kwinkslag trekt me definitief over de streep.

Zonder in blinde adoratie te hervallen - ik ben tenslotte ook elf jaar ouder geworden - besluit ik hem wat krediet terug te geven. Op voorwaarde dat hij me terugbetaalt op 9 april 2017. Als zijn naam dan toch nog één keer op een erelijst moet verschijnen, dan het liefst op die ene zondag, zo rond 17 uur.

De Koperen Kogel