28/03/16 'Papa, gaan we voetballen?'

‘Zien we je zondag? En op wie zet jij je geld?'
Die vraag werd me zaterdag sms-gewijs gesteld vanuit mijn bakermat Zuid-West-Vlaanderen, waar Gent-Wevelgem een jaarlijkse hoogdag is, ook als de koers niet op Pasen wordt verreden.

Mijn antwoord op de eerste vraag: nee. Een familiebijeenkomst in de Kempen stond de verre verplaatsing naar Café Polka in de Menenstraat in de weg, maar dat vond ik voor één keer niet zo erg. Door omstandigheden had ik de aanloopmaand van het seizoen - van de Omloop tot en met E3 - integraal gemist, waardoor ik me er eigenlijk best wel op verheugde om mijn allereerste passieve wielerkilometers van het jaar in mijn luie zetel te beleven. Geflankeerd door een Omer, ook de eerste sinds lang.

Een onderbouwd antwoord geven op de tweede vraag lag dus niet voor de hand. Ik had de koers nog niet gezien, gehoord, gevoeld. Ik had nog geen seconde kunnen neuzen in de wielergids, een kleinood dat in mijn jeugdjaren onder geen beding bij het oud papier verzeild mocht geraken. Vandaar mijn weinig geïnspireerde keuze voor Peter Sagan. Dat ik 24 uur later gelijk kreeg, heeft dus minder met koersdoorzicht dan met geluk te maken.

Het was ooit anders. In 2001, toen ik als jonge snuiter een knalgele jas van de organisatie kreeg aangemeten om de flora op de Kemmelberg te beschermen tegen wildplassende wielerfanaten, vroeg een kompaan me ook naar mijn pronostiek. Ik twijfelde tussen George Hincapie en Leon van Bon. Enkele uren later klopte de eerste de tweede in een millimeterspurt. 

Die en talloze andere herinneringen tillen Gent-Wevelgem voor mij uit boven het imago van ‘saaie koers’ waar de wedstrijd geregeld mee af te rekenen krijgt. Zelfs toen massasprinten vaste prik waren, fietste ik met een bovengemiddelde hartslag van Rekkem naar Wevelgem en trachtte ik het laatste plekje ter hoogte van de eindstreep te veroveren - vlak bij fietsenwinkel Capino - om de rol van fotofinish te vervullen, waarna ik me een weg baande tussen de mensenzee en op de parking van het zwembad de strooptocht naar ‘drinkepullen’ aanvatte.

Zo’n twintig jaar later rukken mijn drie zonen me op schier harteloze wijze uit dit soort nostalgische overpeinzingen. 
‘Papa, gaan we voetballen?’
‘Nee, jongens, deze koers wil ik echt zien.’
‘Maar ze moeten nog 80 kilometer rijden!’
‘Ja, maar straks rijden ze over de Kemmelberg en dan begint het…’
‘Waarom zijn ze dan al zo lang aan het rijden, als het eigenlijk nog moet beginnen?’

Mijn zoon van bijna elf vindt wielrennen dodelijk saai. Hij behoort dus tot de 60,9% van de min-35-jarigen die volgens recent onderzoek ’zeer weinig interesse’ heeft in de koers. Nog eens 10,3% toont ‘weinig interesse’. Ik ben er 36 en stel vast dat de liefde voor de fiets niets met genetica te maken heeft. In tegenstelling tot de liefde voor de bal. Een mens kan niet alles hebben.

Ik ga wat sjotten in de tuin en mis de eerste passage over de Kemmelberg. Maar daarna houd ik het been stijf. Onder lichte dwang zit mijn nageslacht de finale uit. De kopgroep rijdt van Geluwe naar Menen - een kaarsrechte weg die ik tientallen keren niet zo kaarsrecht heb afgefietst op de terugweg van Jeugdhuis de Jukte - en flitst mijn middelbare school voorbij. Daarna de ‘meulen’, de kerk van ’t Théréseke en de eindeloze laatste rechte lijn naar de streep die er het hele jaar door blijft liggen en waar ik menig sprintduel aanging met boezemvriend Wannes. Wie er het vaakst won? Geen idee. Vreemd toch, hoe selectief het geheugen soms kan zijn.

Tot mijn tevredenheid en vertedering zie ik hoe mijn drie jongens meegezogen worden in de spanning van de laatste kilometer. 
‘Voor wie ben jij, papa? Ik wil dat Vanmarcke wint.’
‘Zolang het die Rus maar niet wordt’, antwoord ik. ‘Russen mogen van mij nooit winnen.’
Sagan remonteert de Rus net op tijd, de hartslag daalt.

Eddy Planckaert vond het een prachtige koers die geen moment heeft verveeld. Best mogelijk, maar ik betrap mezelf erop dat ik perfect kan leven met alleen de laatste dertig kilometer. Hebben mijn zonen dan toch gelijk?

‘Kom, papa, nog even voetballen voor het donker wordt.’

De Koperen Kogel