05/01/16 Genie met boeventronie

Lang heb ik gedacht dat er een correlatie bestond tussen intellectuele intelligentie en voetbalintelligentie. Dat het op zijn minst hielp om niet van de allerdomste te zijn, wilde je een meer dan gemiddelde voetballer worden. 

Het lijdt inderdaad weinig twijfel dat een minimaal ruimtelijk inzicht en een intuïtief begrip van driehoeksmeetkunde onontbeerlijk zijn om vooruit te kunnen denken en pakweg een één-tweetje op de mat te leggen. Bovendien maak ik me sterk dat de grootste tactische kranen op een voetbalveld evenmin uilen waren op de schoolbanken. Niet zelden gaat het om doelmannen, verdedigers of defensieve middenvelders die na hun carrière trainer worden en het spelletje zo kapot analyseren dat ze elke wedstrijd herleiden tot een saai potje schaak.

Gelukkig - zo heb ik met de jaren ingezien - zijn er afwijkingen op die correlatie, en zijn het precies die technisch onderlegde maar niet noodzakelijk snuggere afwijkingen die het steeds meer wetenschappelijk benaderde voetbal zo onvoorspelbaar en aantrekkelijk kunnen maken. Jonathan Legear zal het beamen: je hoeft zeker geen Latijn te hebben gestudeerd om goed uit de voeten te kunnen met een bal. (Al is het feit dat Legear al jaren op de dool is, wellicht grotendeels te wijten aan de ondraaglijke lichtheid van zijn hersenpan.)

Een ander en veel beter voorbeeld. Hebt u het winnende doelpunt van Manchester United tegen Swansea gezien, afgelopen zaterdag? Good old Wayne Rooney - nog altijd maar dertig trouwens - devieerde een strakke, lage voorzet van Martial met de hiel in de verste hoek. Ik spring doorgaans nogal karig om met superlatieven, maar dit is het soort goals waar ik met plezier het predicaat ‘geniaal’ voor bovenhaal. 

‘Geniaal’ en ‘Rooney’, dat klinkt een beetje als een contradictio in terminis. Officieel mag je niet voortgaan op iemands voorkomen, maar de man heeft de volgende woorden op zijn gedrongen lijf getatoeëerd: ‘Just enough education to perform.’ Los daarvan heeft hij niet bepaald de looks van een cum laude afstuderende Oxford-student. Laat een absolute voetballeek een foto van Rooneys tronie zien, en de kans is groot dat hij er een delinquente schoolverlater in ziet die zijn zwangere tienervriendin elke avond op een pak slaag trakteert. Wie weet was dat lot hem ook beschoren geweest, mocht hij niet ‘buitengewoon begaafd’ zijn in het voetballen. (In deze alinea kunt u trouwens probleemloos ‘Rooney’ door ‘Gascoigne’ vervangen, (niet) toevallig Rooneys grote voorbeeld.) 

‘Buitengewoon begaafd’ is de verklaring die Van Dale geeft voor het woord ‘geniaal’. Meestal denken we daarbij aan heerschappen als Einstein, Picasso en wat mij betreft - vergeef me deze ontboezeming - Freddie Mercury. Een wetenschapper, een schilder en een muzikant. Zij hebben (en zullen) de tand des tijds doorstaan vanwege hun onnavolgbare vernuft als het op cijfers, verf of toonladders aankwam. Het valt echter af te wachten of een voetballer zoals Rooney, toch niet van de minsten, eeuwig van de vergetelheid gespaard kan blijven. Hij is tenslotte ‘maar’ een voetballer. Zijn gave ontspruit niet aan zijn edele brein, maar aan zijn voeten. Slechts zijn voeten. Die ‘buitengewone begaafdheid’ vereist dus een stevige korrel zout… 

Mis, mis, mis. En het is precies die misvatting die ervoor zorgt dat vanuit elitaire hoek weleens wordt neergekeken op het voetbal. Je hoeft nochtans geen diploma in de neurologie te hebben om te weten dat het ons brein is dat de handelingen van onze voeten regisseert? En dan kun je toch niet anders dan erkennen dat de hersenen van voetballers - in tegenstelling tot die van wiskundigen, schilders en muzikanten, die soms jaren doen over één vraag- of kunststukje - bijzonder snel werken? Zo snel dat ze het soms zelf niet eens doorhebben.

Toen men Wayne Rooney bijvoorbeeld vroeg hoe zijn wonderlijke retro tegen stadsrivaal City, in 2012, tot stand was gekomen, antwoordde hij: ‘Ik wist dat Nani zou voorzetten en maakte me klaar voor een kopbal, maar toen week de bal af en kwam hij achter me. Ik had geen tijd om na te denken en probeerde gewoon een omhaal.’

Volgens Rooney had hij helemaal níét nagedacht, maar ik zie het anders. Spelers als hij denken ‘anders’. En net dat is het geniale aan Rooney. Gewone stervelingen zouden niet eens aan een hakje of een omhaal denken. Of toch zeker niet zo snel. Hoe dat kan, met een brein als het zijne, is een vraagstuk voor Einstein. Maar als artiesten zonder schroom gewag mogen maken van goddelijke inspiratie, waarom zou Rooney (of Messi of Ibrahimovic of…) dan geen ingeving kunnen krijgen? Dat zij hun ingevingen tijdens een voetbalwedstrijd - hoog tempo, stevige tegenstanders, kolkend stadion - feilloos in de praktijk kunnen omzetten, maakt van voetballers van dat kaliber onvervalste kunstenaars.

Precies daarom pleit ik voor meer waardering voor Rooney en de zijnen. Niet financieel - op dat vlak hebben ze niet te klagen - en ook niet intellectueel - flitsende voetballers worden zelden toptrainers en dat is geen toeval. Maar artistiek verdienen ze erkenning en respect. Een wereldgoal is evenzeer het resultaat van een moeilijk te definiëren talent, volharding en jarenlange oefening als een schilderij dat voor ettelijke miljoentjes onder de hamer gaat of een hit die drie keer platina wint. Intelligentie, begaafdheid, genialiteit zijn niet altijd te vatten in een IQ-test. En al helemaal niet als het om voetballers gaat.

De Koperen Kogel