10/08/15 De eer der chloormasochisten

Na een tijdje uithuizig te zijn geweest, nestelde ik me zondagavond voor het eerst sinds lange tijd nog eens voor de buis. Omringd door mijn eveneens door sport begeesterde nakomelingen, bleven we vanzelfsprekend bij Sportweekend hangen, om historische redenen nog steeds een naam als een klok, maar sinds de opkomst van betaaltelevisie, internet en zowat elke dag live wielrennen/veldrijden op tv, vruchteloos op zoek naar een klepel.

De laatste tijd lijkt het iconische programma zijn bestaansreden te hebben gevonden in oeverloze interviews met de nationale vedetten uit de onderbelichte sporten. 'Het hoeft toch niet altijd voetbal te zijn', hoor ik u zeggen. Daar hebt u gelijk in, maar 'praten over sport' is bij mijn weten nog altijd geen sport. En bij weten van mijn zonen evenmin, dus zetten zij het na tien minuten meestal op een terecht gezeur: ‘Papa, had jij Match of the Day niet opgenomen? Maar de interviews en de analyses wel doorspoelen, hé?” Zo vader, zo zonen.

Mocht ‘praten over sport’ toch een sport zijn, dan was Stef Stuntel ongetwijfeld de eeuwige rode lantaarn. Helaas, uit iets wat ik niet anders kan benoemen dan leedvermaak zien de Sporza-bobo’s in hem de ideale aan-elkaar-prater van de grote sportpraatshow. Gelukkig teer ik behalve op de liefde van mijn naasten ook op een regelmatige portie gezonde ergernis. Daarom volhard ik in de boosheid en irriteer ik me elke week laveloos aan Stotterende Stef.

Niet deze keer echter. De man die trager praat dan zijn autocue en ‘Wie van de drie?’ speelt met de cameramannen, was vervangen door Stefaan Lammens. Maar niet getreurd. Er werd - zoals wel vaker in Sportweekend - een verbinding gelegd met een expert ter plaatse, in casu Kazan, het decor van de afgelopen wereldkampioenschappen zwemmen. Die expert luisterde niet naar de naam Sydney Appelboom, de Belgische Voice of Swimming, nee, ik kreeg met Stumperd Stef alsnog waar voor mijn belastinggeld.

Stef, die net op tijd zijn Real Madrid-sjaal buiten beeld had gegooid, vertelde dat de Belgische zwemdelegatie het beste WK in twintig jaar achter de rug had. Met drie finales, zes halve finales en acht Belgische records waren we eindelijk uit de volstrekte anonimiteit getreden, zo klonk het. Waarop een netjes gemonteerd interview volgde met Louis Croenen en Pieter Timmers, zevende in respectievelijk de 200 meter vlinderslag en de 100 meter vrije slag.

Net voor mijn zonen naar Gary Lineker zapten, hoorde ik Timmers nog zeggen dat hij elke dag trainde tot het hem de strot uitkwam, om hooguit twee keer per jaar te pieken. ‘We doen het niet voor het geld, maar voor de eer’, klonk het nog gezamenlijk.

Een mengeling van mateloze bewondering en even mateloos medelijden maakte zich van mij meester. U moet weten: volgens mijn leraar lichamelijke opvoeding in de middelbare school heb ik een stel steekvoeten. Sindsdien haat ik zwemmen hartgrondig - als activiteit, niet om naar te kijken. Het vergt dus extra empathie van mijnentwege om begrip te kunnen opbrengen voor de masochistische inspanningen die zwemmers zich getroosten om de top te kunnen bereiken. Elke dag, vaak van kindsbeen af, voor dag en dauw opstaan om nog voor schooltijd ongestoord te kunnen trainen. Na het laatste belsignaal opnieuw die eeuwige chloorgeur in, baantjes trekkend met de blik meter na decameter na hectometer na kilometer gericht op de tegels van een zwembadvloer. Door die vervloekte maar broodnodige coach naar steeds betere tijden geschreeuwd worden, telkens enkele honderdsten van een seconde sneller dan die vorige besttijd. Jarenlang geen Bicky Burger mogen verorberen, zelden of nooit het genot van een Omer mogen proeven.

Resultaat: zevende in een WK-finale. Amper een cent rijker. En ik betwijfel of Timmers en Croenen na hun landing in Zaventem in een cabriolet naar de Grote Markt van Brussel zullen worden gebracht. Laat staan Fanny Lecluyse, Kimberly Buys of Jasper Aerents. Ik stel me dan ook de volgende vraag: staan de geleverde inspanningen in verhouding tot de eer die te rapen valt?

Ik ben geneigd om daar volmondig nee op te antwoorden. Ik weet het: net daardoor zou ik deze atleten nog meer moeten bewonderen, want sport draait verdorie niet allemaal om geld en roem, maar ook om toewijding, doorzettingsvermogen en liefde voor het vak - dit zijn de ware olympiërs die deelnemen zonder per se te winnen! Daarom: oprecht respect.

Maar tegelijk zou ik het perfect begrijpen, misschien zelfs toejuichen, mochten ze na het volgende keerpunt uit het bad stappen, en passant Stoethaspel Stef in het diepe duwen en zo snel mogelijk in een leven zonder badmutsen en slippers duiken. Een leuk leven. Want zoals een bekende zwemcoach me niet zo lang geleden toevertrouwde: ‘Zwemmen is niet leuk, hè.’ Hij was bloedserieus.

De Koperen Kogel