04/05/15 Hoe een tribune me bezielde

Het zal wel als heiligschennis klinken, maar stadions laten me doorgaans koud. 

Als ik op een voetbalquiz afbeeldingen van 'voetbaltempels' voorgeschoteld krijg, laat ik mijn ploegmaats het vuile werk opknappen. Dan bestel ik nog een rondje en sta ik daarna paraat voor 'vergeten voetballers uit de nineties’. En vraag me alstublieft niet waar de Champions League-finale van vorig seizoen plaatsvond, want dat kan me geen ene moer schelen. Voetbal draait toch om wat die 22 acteurs op de mat leggen, niet om het decor?

Het voetbalgekke fenomeen 'groundhopping’ - van stadion naar stadion wippen - doet mijn empathisch vermogen (alsook mijn portefeuille) op zijn grenzen botsen. Mijn eigen palmares oogt dan ook vrij mager: ik woonde onder meer wedstrijden bij in het Jan Breydel- en het Constant Vanden Stockstadion, in de Cristal Arena, het Philips Stadion in Eindhoven en Galgenwaard in Utrecht. Jaren geleden - ik zou het bijna vergeten - zag ik vanuit de nok van Camp Nou zelfs hoe Barça met 2-0 won van Real Sociedad. Wat ik me van al die partijen herinner, zijn vooral een heerlijk banaanschot van Laurent Ballenghien, de laatste goal van Sterchele, het abominabele niveau van PSV-ADO (1-0) en de doelpunten van Rivaldo en Saviola - voor zover ik kon opmaken van een halve kilometer hoog. Het was dan wel een midweekwedstrijd, het clublied van Barça klonk ontgoochelend hol. 

Omvang en akoestiek van al die stadions waren wat mij betreft perfect inwisselbaar. Ik kwam tot het pijnlijke inzicht dat mijn jarenlange neutraliteit synoniem was geworden voor nuchterheid, op het kille af.

Tot ik voor het eerst de KV Mechelse ground binnenhopte: Achter de Kazerne. Geen mastodont met tientallen ingangen, waar je bijna rechtstreeks via een onpersoonlijke betonnen trap naar een eigen vak vol identieke stoeltjes wordt geleid, en waar je tien seconden onder de indruk bent van de architectuur alvorens vast te stellen dat je je negentig minuten lang te ver van de actie zult bevinden.
Wel een bolwerk van authenticiteit. Schoonheid is moeilijk in woorden te vatten, zeker als ze verdacht veel naar lelijkheid neigt: na een wandeling langs de (nu ook weer niet zo) Nieuwe Kantine en rijen aftandse pisbakken, besteeg ik een smal trapje en kwam ik boven in de oudste nog levende staantribune van eerste klasse.
Ik werd er meteen getrakteerd op 'De club zal zegepralen', dat op de tonen van de harmonie - en niet van een aftandse cassette - zowaar doorleefder klonk dan El Cant del Barça. Daarna volgden de salvo's spitsvondige gezangen elkaar onafgebroken op vanuit vak I. Over kamelen, borstelstelen en ander fijnzinnig fraais.

Eindelijk ondervond ik aan den lijve wat het met je doet om tot een twaalfde man te behoren. Eindelijk zag ik in dat als de neutraliteit afbrokkelt, ook de nuchterheid in rook opgaat. Plots was een stadion veel meer dan wat stenen en staal. Toch was het zeker ook de constructie zelf die mij meermaals per jaar naar vak I of J lokte. Zij aan zij en op elkaar gedrumd, kon je er de grasmat ruiken, elke baltoets, kopbalstoot of puffende spits met overgewicht horen en het zweet op voorhoofden of kale schedels zien parelen. Ik had het nooit voor mogelijk gehouden, maar dankzij die tribune leerde ik voetbal opnieuw te beleven alsof ik zelf op het veld stond.

Daarom moest ik erbij zijn zaterdag. Om persoonlijk eer te komen betuigen aan de stokoude (en volgestouwde) staantribune, ook al heb ik er maar een fractie beleefd van wat de duizenden andere aanwezigen zich tot in de eeuwigheid zullen herinneren: 'De titel met De Cleyn, Europees met Piet en Lei, naar derde en weer terug, vak vol historie wordt nostalgie.’ Ik brulde ‚You’ll never walk alone’ mee, luisterde naar de symbolische Last Post van de harmonie - wie dat erover vond, is een lastpost, ha! - en bewonderde de bewondering waarmee de voltallige spelersgroep en staf kwamen genieten van het pakkende afscheid door de Yellow Red’s Army.

Hoewel ik nog steeds neutraler en nuchterder ben dan de volbloed Malinwa-supporter, ben ik blij en dankbaar dat ik er de voorbije vijf jaar heb gestaan, gesprongen en gezongen. Hopelijk bestaat er onder stadions ook zoiets als reïncarnatie van de ziel.

De Koperen Kogel