13/04/15 Twee handen in het vuur

Na de suprematie die Alexander Kristoff tentoonspreidde van De Panne tot Schoten, ging Karl Vannieuwkerke er in zijn column van afgelopen zaterdag vanuit dat de eerste gemene roddels over doping wel weer aan de orde zouden zijn. Tot zijn ergernis, wel te verstaan.

Ik begrijp die ergernis wel. Er waait ontegensprekelijk een nieuwe wind door het peloton, waardoor je tegenwoordig minder kans loopt op brandwonden als je voor iemand je hand in het vuur steekt. En toch wordt mijn enthousiasme over grootse wielerexploten al jaren getemperd door een waas van scepticisme. Noem het zelfbescherming. Want niemand wil toch bedrogen worden door zijn grote liefde? Laat staan twee, tien of twintig keer?

Wat grote liefdes betreft, hoefde de koers in mijn jeugd niet onder te doen voor het voetbal. Sinds ik in het bijzijn van mijn druk gesticulerende grootvader zag hoe Jean-François Bernard in de lapjestrui van het betreurde combinéklassement de klimtijdrit op de Mont Ventoux won, telde ik elke winter vol ongeduld af tot de nieuwe wielergids in de brievenbus zou belanden. Dan dompelde ik mij gretig onder in exotische namen als Laudelino Cubiño en Giuseppe Calcaterra, voorspelde ik welke ploegen de Tour de France zouden mogen rijden en stelde ik alvast de selecties samen voor het WK. Met pen en papier zoog ik fictieve wedstrijden uit mijn duim, die ik zelfs naspeelde met Playmobilpopjes op denkbeeldige fietsen. (In feite liepen ze dus, en uiteraard was ik de almachtige beweger die hen vooruitduwde en bepaalde wie won.) Ja, ik was in die tijd een gemakkelijk kind, zo zal mijn moeder beamen.

Ik leefde intens mee met het geschrei van de koperen Edwig Van Hooydonck en plengde enkele maanden later zelf bittere tranen toen Laurent Fignon werd vernederd door Greg LeMond - tot onbegrip van mijn hele familie trouwens. En als ik met mijn kameraden geen doelpunten naäapte, demarreerde ik tijdens een van mijn ontelbare doelloze fietstochten wel uit een kopgroep, onderwijl de koers becommentariërend die ik zelf zou winnen. Nu ik er over nadenk, vrees ik zelfs dat ik dat luidop deed… Ooit wilde ik ‚de man op de motor’ worden, minstens even graag als de nieuwe Rik De Saedeleer’.

Nadat familieheld Van Hooydonck zijn fiets aan de spreekwoordelijke haak had gehangen vanwege de ongelijke strijd, bleef ik nog jaren ziende blind. Drie weken nadat Willy Voet op een steenworp van mijn ouderlijke woonst werd tegengehouden met een auto vol epo, was ik zelfs door het dolle heen omdat ene Marco Pantani het geel droeg in Parijs. Ik genoot zo mogelijk nog meer van Vdb’s panache op La Redoute in 1999. Stilaan werd ik wel oud en wijs genoeg om te snappen wat de renners zoal door hun lijf joegen - wespen, gesneden brood, dies meer -  maar de koers bleef de adrenaline door dat van míj jagen. Of het nu voor de buis was, langs de kasseien van Parijs-Roubaix of bij een Tourpassage in de buurt van ons vakantiehuisje.

Zo ook in 2006, toen ik op de flanken van de Joux-Plane getuige was van de merckxiaanse tour de force van ene Floyd Landis. Lance Armstrong (die ik nooit heb vertrouwd) was net gestopt en dus had mijn naïeve geloof in een schoongemaakte sport opnieuw de bovenhand gehaald. Tot het enkele dagen later genadeloos werd gekelderd. Landis was de druppel die de injectienaald deed overlopen.

Sindsdien ben ik het wielrennen blijven volgen - oude liefde roest niet, zeker niet bij een Koperen Kogel. Maar het eerder vermelde scepticisme verpestte de magie een beetje. En op de motor zitten in een universum waar álle betrokkenen een verderfelijke omerta in stand houden? Die droom heb ik zelf doorgeprikt. 

Misschien ben ik te snel geweest. Te onverbiddelijk. Dat gevoel bekruipt me sinds enkele jaren en sloeg me vorige zomer pats in het gezicht. Toen hoorde ik een renner het volgende verkondigen in een documentaire: 'Ik rij schoon en ik win schoon. Het probleem is dat ik nu hetzelfde zeg als die mannen tien jaar geleden. Hoe kan ik dan van mensen verwachten dat ze me geloven?’

Die renner was John Degenkolb, en de docu heette niet toevallig Nieuwe Helden. Net als nogal wat van zijn generatiegenoten bleek Degenkolb een verademing: niet alleen sterk en snel, maar ook goed van de tongriem gesneden. En vooral verstandig.

Gisteren won hij met overmacht Parijs-Roubaix. Ik stook een vuurtje en steek er mijn twee handen in. Voor de allerlaatste keer.

De Koperen Kogel