01/04/15 Beenruimte

Zondagmiddag.

Omdat Gods wegen ondoorgrondelijk zijn, zeker in de periode rond Pasen, bevind ik mij in de reusachtige viptent op de Kemmelberg. Daar ontspint zich een eeuwenoude discussie tussen mezelf en een andere ‘heel belangrijke persoon’. Soms krijg ik het namelijk wat op mijn heupen van die verstokte wielerfans die neerbuigend doen over die volgevreten voetballers. Zeker als die verstokte wielerfans zich in een viptent volvreten om daarna te supporteren voor die arme dwangarbeiders van de weg.

Nogal neerbuigend, vind ik dat.

Ik werp op dat men niet mag onderschatten dat er ook heel wat opofferingen en risico's gepaard gaan met het voluit kiezen voor een voetbalcarrière en het (proberen te) bereiken van de absolute top: sociaal leven op een laag pitje zetten, voldoende slapen, precies voldoende eten en drinken, je lichaam wapenen tegen de fysieke contactsport die voetbal wel degelijk is, om kunnen met de druk, weinig vakantie (zeker als er in de zomer een groot toernooi op het programma staat)… Dat alles wordt - en dat meen ik - soms schromelijk onderschat.

‘Allemaal goed en wel,’ klinkt het dan, ‘maar geen enkel van die argumenten rechtvaardigt toch de van de pot gerukte salarissen die topspelers op hun rekening gestort krijgen?’ Uiteraard een volledig terechte repliek, maar ook een beetje een dooddoener - en daarom meteen het einde van de discussie. Al kan dat ook komen door het zoveelste glas schuimwijn dat we in de handen geduwd krijgen.

Na het verorberen van een werkelijk succulent middagmaal, begeeft een deel van de tent zich naar buiten. Het andere deel vindt dat het te hard regent en waait, vermoed ik. Zelf steek ik fluks de weg over en zoek het best mogelijke plekje om John Degenkolb en zijn collega’s aan te moedigen. Ik ben wel een en ander gewend, daar ik in mijn jeugd elk jaar eindeloze uren gesleten heb langs de kasseistrook van Hem, in blijde verwachting van de helikopters, kort daarop gevolgd door richting Roubaix dokkerende renners. Daar zag ik bestofte en beslijkte gezichten, doorregende truitjes en koersbroeken, van kop tot teen geschaafde of anderszins gehavende lichamen.

Maar wat ik op de top van de Kemmelberg zie bovenkomen, bij de eerste van twee passages nota bene, schudt mijn hele referentiekader door elkaar. In die mate dat Wuytsiaanse beschrijvingen in mij opwellen. Dwars door de modderspatten heen priemen holler dan holle blikken, die behalve vermoeidheid en pijn ook regelrechte angst verraden. Voor dit soort taferelen heeft het woord ‘uitgewoond’ een overdrachtelijke betekenis gekregen. Bij wie daar nog de energie voor heeft, ontwaar ik ook een zweem van verontwaardiging - woede misschien? Bij Heinrich Haussler bijvoorbeeld, die er vlak voor mijn neus de brui aan geeft en met een grimlach de doorbijters achter hem aanstaart.

Terwijl ik mezelf eveneens afvraag hoe verantwoord dit nog is, trekt Jürgen Roelandts in de aanval, beukend tegen de rukwind en de slagregen. Een handvol anderen weigeren de handdoek te werpen, dichten de kloof en rijden elkaar vervolgens de complete vernieling in door slag om slinger te demarreren. Paolini, zijn dichtste achtervolgers en vooral Roelandts, die er altijd wel uitziet alsof hij na een nachtje stappen slechts twee uur heeft geslapen, rijden geradbraakt over de finish en worden daarvoor beloond met een verdiende staande ovatie in de Wevelgemse viptribune. Achteraf amper een onvertogen woord over de apocalyptische omstandigheden. ‘Wie hier niet tegen kan, moet maar een andere job zoeken’, aldus Walter Planckaert.

Diezelfde dag vlogen de Rode Duivels in een vliegtuig met extra beenruimte richting Israël.

De Koperen Kogel