23/03/15 De Wietstar is kampioen!

Tom De Sutter had net gescoord en Club Brugge viel terug op zijn tactische discipline, waardoor de veelbelovend begonnen be­ker­finale een wat ste­rie­le vertoning begon te wor­den. Mijn aan­dacht dwaal­de af richting Facebook, alwaar ik felicitaties las aan het adres van Tim Sabbe, ex-ploegmaat van mijn broer bij White Star Lauwe en momenteel assistent-coach van de eerste ploeg. 'Proficiat met de titel!’ stond er te lezen. Door de nederlaag van dichtste achtervolger Dadizele was de Wiet Star zonder te spelen kampioen geworden in … derde provinciale! De beker­fi­na­le kon me voor even worst wezen. Ik zat met mijn hoofd terug in 1987. 

 

‘Dus je weet het, hé! Geen show verkopen! En de bal afgeven.’ Met die woorden reed mijn broer me voor op het vijf meter korte, doch steile hellinkje dat de Hospitaalstraat scheidde van de ingang van het Omer Dewittestadion. We mikten onze fietsen door de smalle ingangspoort – geen sinecure als je net aan het stilvallen bent – en zetten onze fietsen tegen de achterkant van de lege staantribune. Ik was net acht geworden en op van de zenuwen voor wat mijn eerste training bij White Star Lauwe zou worden. 

Enkele maanden eerder had ik in datzelfde stadion voor het eerst in mijn leven geproefd van live voetbal. De vader van een vriend had mijn broer en mij meegenomen naar de topper in vierde klasse tussen de Wietstar en Wielsbeke. In mijn herinnering stonden de gradins achter de beide doelen en vooral aan de overkant van de hoofdtribune afgeladen vol. Er heerste een kolkende sfeer, met voortdurend gemopper en geschreeuw, luidkeelse gezangen, maar vooral een explosie van euforie toen een rosse (!) speler van de thuisploeg vanaf zo’n veertig meter - het kunnen er ook 25 geweest zijn - de bal in de winkelhaak kogelde. Zijn naam herinner ik me niet meer, maar ik was wel zeker dat ik ooit in zijn voetsporen zou treden.  

Helaas: blessures en een motivatiedip hebben rond mijn 17de mijn bescheiden ambities gefnuikt. De eerste ploeg heb ik dus nooit gehaald, maar op het eerste terrein, in het Omer Dewittestadion dus, maakte ik wel mijn mooiste doelpunt ooit, met de kadetten tegen Izegem: een zweefsprong richting eerste paal, gevolgd door een gekruiste kopbal richting tweede paal. Op datzelfde veld beleefde ik als miniem mijn grootste jeugdtrauma, toen ik in de finale van het prestigieuze eigen Paastoernooi de slotpenalty moest trappen. De druk van het volle stadion zoog alle kracht uit mijn benen - de keeper van Geluwe kon mijn slappe inzet simpel oprapen. Sindsdien scoorde ik nooit meer vanaf de stip.

Net zo goed koester ik de herinneringen van het tweede terrein, met een hellingsgraad van zo’n 5% - tenminste, zo leek het. Of de talrijke soupers, toen we na het opschrokken van de obligate maaltijd het veld opstormden om te sjotten tot we geen hand meer voor de ogen zagen. De 'grote cola’s’ die we in de kantine van vader en moeder Pareyt kregen in ruil voor een bonnetje. De traditionele aai over mijn bol van toptrainer Willy Dooms, de knipoog van topdelegué Lieven Sabbe (vader van) en de stamp in ons gat van topterreinverzorger Lionel. De ironische oerschreeuw 'Vandaag wil ik bloed zien’ van delegué-met-peperkoeken-hart Ritn versus de droge humor van coach en ex-KVK-speler Johan Devolder… Kortom, de Wietstar maakt deel uit van mijn DNA. Tien jaar van je kindertijd, die wis je nooit meer uit.

Jaren later ging ik nog één keer kijken. De gradins waren maar voor een vijfde meer gevuld, de clubkas was zo mogelijk nog leger. De neergang van White Star Lauwe, in de jaren zestig nog 'Klein Anderlecht’ genoemd na enkele sterke bekerwedstrijden tegen Van Himst & co, was ingezet. De daaropvolgende seizoenen daalde de club steeds dieper af, tot in derde provinciale. 

Als nieuwbakken Kempenaar volgde ik de neergang via de krant. Mijn hart bloedde. Tot enkele bewonderenswaardige idealisten hun schouders zetten onder het Project 2025. Over tien jaar, wanneer White Star Lauwe zijn honderdjarige jubileum viert, wil de club weer financieel gezond zijn. Op sportief vlak wil het opnieuw de kweekvijver van talent worden die onder meer Hein Vanhaezebrouck en Lorenzo Staelens voortbracht. En de eerste ploeg moet opnieuw een stabiele eersteprovincialer worden. Gisteren werd alvast de eerste stap in die richting gezet. Er zit weer leven in geel en zwart! 

Na al dat nostalgisch gemijmer zag ik eerst Mitrovic en dan Refaelov scoren. Club heeft dus de beker beet. En maakt een titel meer of minder zo’n groot verschil voor Anderlecht? Hein Vanhaezebrouck kampioen, dát zou de symboliek compleet maken.

 

De Koperen Kogel