28/02/19 Ik ben Remco niet (Cycling.be)

Me er terdege van bewust dat u uw buik er misschien al vol van hebt, wil ik het toch even over Remco Evenepoel hebben. Nee, ik ga hem niet bestempelen als de nieuwe Eddy Merckx, al is hij dat wel. Hoop ik. En nee, ik ga niet zeggen dat we hem moeten beschermen tegen de druk van de media die hem bestempelen als de nieuwe Merckx. Die jongen is oud genoeg om daarmee om te gaan. 19 jaar namelijk. Geworden in januari.

19 jaar en al profwielrenner. En dat na een veelbelovend traject als jeugdvoetballer, dat hem onder meer bij Anderlecht en PSV bracht. 

Kijk, dat doet me dus onwillekeurig denken aan 1998, toen ikzelf 19 jaar was. Een tweetal jaar eerder had ook ik mijn ambitie om ooit profvoetballer te worden, samen met mijn ongepoetste voetbalschoenen, opgeborgen in het washok. Een combinatie van een chronische liesblessure en de ontdekking van de geneugten des levens duwde me richting mijn vrienden in de lokale minivoetbalclub, waar ik een uurtje lang kon knallen alvorens de uitgezwete calorieën aan te vullen in de ‘derde helft’. Zelfs met een glas te veel op kende ik nog altijd de opstellingen van de WK-finale van 1990 uit het hoofd, maar mijn eigen verhaal in het voetbal was stilaan geschreven.

Hoog tijd dus om mijn andere grote passie wat leven in te blazen: de koers. Tot dan toe was dat vooral een passieve passie geweest. Ik kon moeiteloos het voltallige peloton van A(bdoesjaparov) tot Z(ülle) aframmelen, inclusief ieders palmares. Mijn actieve wielerprestaties – op een gewone stadsfiets van het merk Main d’Or – beperkten zich tot eindeloze zwerftochten door zowat alle boerengaten tussen Kortrijk en Ieper, waarbij ik het verloop van de klassieker of Tourrit die ik net op tv had gezien minutieus nabootste. Dat ik tegelijk de rol van vluchter en achtervolger vertolkte en mijn exploten live van commentaar voorzag, is achteraf bekeken zowel aandoenlijk als zorgwekkend.

Toen twee vrienden me in 1998 voorstelden om een weekje in de Alpen te gaan fietsen, was ik dan ook razend enthousiast. Eindelijk zou ik écht koersen en meteen ook weten wat ik waard was. Ik kocht een handgemaakte zilveren koersepiste (West-Vlaams voor racefiets) bij Capino in Wevelgem, maakte hoogtemeters in het Heuvelland en spoorde met mijn kompanen naar Grenoble. Onbevangen fietste ik over de geschilderde namen van de zondaars uit de pas afgelopen Festina-Tour: Virenque natuurlijk, maar ook Pantani, Ullrich, Boogerd… Op de mythische beklimming van de Izoard kletste ik zelfs mijn vriend Wannes uit het wiel, toch een voormalig Belgisch kampioen triatlon bij de jeugd. Ik zag het licht, had mijn ware talent ontdekt. Ik was 19 en officieel coureur. Zoals…

De vergelijking met Remco Evenepoel loopt zo mank als Herr Flick uit Allo allo. Dat besef ik maar al te goed. Ik voetbalde nooit hoger dan White Star Lauwe, fietste nadien nooit meer hoger dan pakweg 500 meter boven de zeespiegel. En toch zijn het dit soort ‘Wat als…’-mijmeringen die door mijn hoofd spoken als ik langs het Albertkanaal tegen de wind in beuk – net als op de heenweg trouwens, of zo voelt het toch. Twintig jaar en evenveel kilo’s later vraag ik me af hoe het zover is kunnen komen. Mijn excuus van ‘zware botten’ heeft Paul Van Den Bosch onlangs naar het rijk der fabelen verwezen. ‘Zijn het dan spieren?’ vroeg ik hem wanhopig, een blik werpend op mijn stronken van dijen. ‘Over tien jaar hangen die zogezegde spieren als overtollig vet over uw knieën’, klonk het. De waarheid verbloemen behoort nu eenmaal niet tot zijn motivatietechnieken. 

En dus werk ik me vandaag weer in het zweet op de rollen, op zolder, moederziel alleen met mijn overgewicht, mijn herinneringen aan Alpencols en mijn spijt over verspild talent. Ik troost me met de gedachte dat ik tenminste een vlottere pen heb dan Remco Evenepoel. Dat hoop ik toch.

De Koperen Kogel