02/05/19 Dag van de arbeid, de veerkracht en de eensgezindheid

Voor één keer had ik geen alcohol nodig om in een roes te geraken. (Ik heb het, voor alle duidelijkheid over gisteren, de dag waarop KV Mechelen als tweedeklasser de Beker van België won. Net geen primeur, zo blijkt, met dank aan Doornik in 1956.)

Niet dat ik geen zin had in bier, maar toen ik in het fandorp aan het Atomium aankwam, bleek het al op. En in het stadion - o hypocrisie - mocht alleen gerstlimonade geschonken worden. Dan nog liever Aquarius Red Peach. 

De roes waarvan sprake, had twee oorzaken. Er was, uiteraard, het supporterslegioen van Malinwa. De ene helft van het stadion kleurde geel-rood, de andere helft wit-blauw. Even betreurde ik dat wij het moesten stellen met unicolor rode of gele plastic vlaggen, terwijl die iconische indianenkop op de vaandels van de Gantoise-aanhang prijkte. Maar door het niet-aflatende vocale overwicht van de Kakkers en vooral de creatieve variatie in het repertoire (versus dat afgezaagde gebonk van Zombie Nation), kakten de Buffalo’s maar kleine keuteltjes.

En er was het schouwspel op de mat. Het elftal gaf de Dag van de Arbeid een extra dimensie. Geniaal uitgedost in een tenue dat de bekerwinst in 1987 opriep, sloopten de spelers ettelijke fysieke en mentale muren. Ik proefde het melkzuur in hun benen bijna op mijn tong - wie dacht dat ‘een gebrek aan matchritme’ een flauw excuus was, denkt er na gisteren ongetwijfeld anders over. Stuk voor stuk zaten ze stuk, maar ze pompten en pompten en zouden desnoods hun verkrampte been afgehakt hebben om het nog in de baan van een onbereikbaar schot te kunnen gooien. Al was er altijd nog Verrips, die de glansrol van Preud’homme in Straatsburg met verve imiteerde. 

Ze verzopen niet. Ze zegepraalden. En na het laatste fluitsignaal sprintten ze zonder nadenken naar de rood-gele curve om het mirakel te vieren. Spelers, staf en supporters samen. Omdat ze samen, na een pijnlijke degradatie en ondanks de voortdurende schaduw van de vermeende stommiteiten van enkelen - niet zijzelf! - eens te meer blijk hebben gegeven van een onverwoestbare veerkracht en eensgezindheid. 
Dát te mogen aanschouwen bracht me in een roes. Veel meer dan de podiumceremonie voor een half leeggelopen hoofdtribune. Daar hadden immers vooral Gantoise-supporters gezeten. Misschien had de bond de situatie ietwat verkeerd ingeschat?

Hoe dan ook, zegedronken spoorde ik naar Mechelen, om het feest te rekken. Naar de Markt, en naar het stadion, waar ik ontdekte dat Schoofs, huppelend met de beker in zijn handen, geen last meer had van krampen. Dat Joost, volgens een Hollandse carnavalszanger, andersgeaard is. En helaas ook dat die schaduw waarover ik het net had, weer opdook in mijn achterhoofd.

Toen ik twintig minuten te vroeg bij station Nekkerspoel belandde, besloot ik mijn wachttijd te doden in het café op de hoek. Ook daar trof ik, zoals in de hele stad, een trosje Malinwa-supporters aan. Zij waren ladderzat. Zij wel. Ik bestelde een biertje, zette me apart aan een tafeltje, keek met één oog naar Barça-Liverpool op de tv en luisterde met één oor naar de kolderieke conversaties.
X: ’Zeg, waar blijft Y? Die zit al zo lang op de pot?’
Z: ’We zijn niet voor niets Kakkers, hé!’
Gebulder. En een gelukzalige grijns op mijn gezicht.
X: ‘Zeg, Barça staat 1-0 voor, hé.’
Y, intussen ontlast: ‘Dan wordt Barça-Ajax de finale, hé.’ Korte stilte. ‘En volgend jaar Barça-KV Mechelen.’

Dan moet er veel gebeuren, mijmerde ik. Maar met KV Mechelen weet je nooit. En als we Europa niet in mogen, dan worden we gewoon voor de tweede keer op rij kampioen in 1B. Dát zou echt een primeur zijn.

(Een halfuur later, in Berchem-station, kruis ik een van de weinige mensen die op dat uur nog rondstruint en géén Malinwa-sjaal draagt. Hij ziet die van mij en zegt: ‘Proficiat.’ Hij meent het.)

De Koperen Kogel