30/05/19 Niet te kleinzerig (Cycling.be)

Wanneer u dit leest, ben ik misschien wel bezig aan een fysieke uitdaging die de voorbije maanden mijn hele doen en denken heeft beheerst. Op zondag 2 juni fiets ik namelijk 250 kilometer in één dag, van Mechelen naar Oudenaarde en terug. Beoogde gemiddelde snelheid: 27 km/u.

‘So what?’ hoor ik de gepokte en gemazelde wielertoeristen onder u nu denken, onderwijl met de ogen draaiend en terugdenkend aan die dag waarop u de Mont Ventoux zeven keer bent opgereden (waaronder één keer op het buitenblad), of aan de ontelbare Gran Fondo’s die u al in de kuiten hebt. Dat begrijp ik.

Maar u moet weten dat ik een wielertoerist van likmevestje ben. Elk jaar opnieuw, terwijl het verorberde oudejaarsdiner rondklotst in een zee van trappistenbier, neem ik me voor om eindelijk eens op doordachte wijze een fietsconditie op te bouwen. In het voorjaar groei ik doorgaans naar een behoorlijke vormpiek half mei, maar door een combinatie van quality time met het gezin, opgelopen werkachterstand en een fundamenteel gebrek aan karakter wordt mijn fiets tijdens de zomer al te stiefmoederlijk behandeld. In het najaar volgt nog een meelijwekkende poging om de schade te herstellen, maar diep van binnen weet ik dan al wat ik me rond nieuwjaar eens te meer zal voornemen.

Die vormpiek manifesteert zich niet toevallig in mei, want daar bevindt zich het concrete doel waar ik nu al enkele jaren naar toewerk. Een goed doel dan nog. In 2017 en 2018 fietste ik in het Hemelvaartweekend namelijk tweemaal 125 kilometer mee in de 1000 Kilometer tegen Kanker. Lange tijd was die hele KOTK-actie een ver-van-mijn-bed-show waar zelfs die immer enthousiaste Frank Deboosere me niet warm voor kon maken. Tot mijn zus getroffen werd – gelukkig met goede afloop – en ik met eigen ogen vaststelde hoeveel het voor haar betekende dat duizenden mensen geld inzamelden en kilometers maalden om die kloteziekte een halt toe te roepen. Ik besloot het aangename aan het nuttige te koppelen, schreef me in bij het AB Café-team en werd overspoeld door een ongeziene golf van solidariteit. Voor, tijdens en na de tocht, zowel in het peloton als aan de kant van de weg.

 

Gedreven door die warmte-energie reed ik die 125 kilometer telkens uit met de vingers in de neus – ook al bemoeilijkte dat laatste enigszins de ademhaling. Vandaar dat ik begin dit jaar de boude ambitie durfde uit te spreken om in één dag 250 kilometer af te leggen. Een primeur dus, die me nu al weken met faalangst vervult. Dat iedereen aan wie ik erover vertel, me ook nog eens aankijkt met een blik van: ‘Hoe gaat die 95 kilo van jou dat klaarspelen zonder ketonen?’ helpt niet bepaald om de stress in te dijken.

Aanvankelijk verteerde ik de kilometers nochtans vrij goed: 40-50-60-70 kilometer, tegen een gemiddelde snelheid (in mijn eentje) van om en bij de 27 km/u. Maar dan… 80 kilometer, en de zweem van trots meteen de kop in laten drukken door een simpele rekensom: op die bewuste zondag moet ik er nog meer dan twee keer die afstand bijkletsen! Naar de 90, en in al mijn eenzaamheid aan niets anders kunnen denken dan aan mijn beurs gepedaleerde achterste. (Ik zou toch eens de zitvlakken van die profcoureurs willen zien. Of nee, toch liever niet.) Over de 100, en aan den lijve ondervinden dat coureur een even zittend beroep is als schrijver, met alle stramheidsverschijnselen in de rug van dien. 

Toch voel ik diep vanbinnen dat het me gaat lukken. Dat het me móét lukken. Want wat zou ik jammeren om een geïrriteerd perineum (zoek dat maar eens op), weerbarstige heupen en verzuurde kuiten, als er elke dag vaders, moeders en kinderen een strijd moeten aangaan die ontelbare keren slopender is? Fysiek en mentaal, want in uiterste geval van nood staat er voor hen geen bezemwagen klaar die hen alsnog over de streep brengt. Da’s pas karakter. Zeven keer de Mont Ventoux is er niks tegen. Zelfs niet op het buitenblad.

De Koperen Kogel