08/06/19 Rik Van Looy wint altijd

28 augustus 1988.
Ik ben op familiebezoek, maar zonder me toch even af voor de televisie. Want de wielerfanaat die dan al in mij aan het ontluiken is – ik ben net 9 jaar geworden – wil het WK voor geen geld ter wereld missen. Een WK dat bovendien in België wordt gereden, in Ronse. Pas wanneer Claudy Criquielion de finale ingaat met twee op papier tragere concurrenten, krijg ik gezelschap in de woonkamer. 
Helaas, de Belgische favoriet wordt onfortuinlijk in de nadars gedrongen en de tot dan toe onbekende Maurizio Fondriest zegeviert tot zijn eigen verbazing. ‘Ongelooflijk,’ zegt mijn pa, ‘alweer miserie in Ronse. Zoals met Rik Van Looy en Benoni Beheyt in ’63.’

Ik kijk mijn vader stomverbaasd aan. Ja, hij is geïnteresseerd in koers. Vanuit onze heimat Rekkem, aan de Franse grens, trekken we elk jaar naar Hem, de laatste echte kasseistrook van Parijs-Roubaix. En als de Tour de France in de buurt komt, thuis of op reis, is geen omweg hem te veel. Maar nu? Nu klinkt hij plots als een levende wielerencyclopedie. Goochelt hij met namen die mij totaal vreemd zijn. Voegt hij er zonder moeite nog het juiste jaartal aan toe ook.

Amper vijf minuten later weet ik alles wat er te weten valt over ene Rik Van Looy. ‘Hij was in ’60 en ’61 al eens wereldkampioen geworden, maar in ’63 werd hij gevloerd door zijn eigen knecht’, had papa het hele verhaal in geuren en kleuren verteld, nog steeds even verontwaardigd als een kwarteeuw eerder. ‘Maar’, zo was hij verdergegaan, ‘ik herinner me vooral het jaar tussenin. In ’62 won hij Gent-Wevelgem, de Ronde van Vlaanderen én Parijs-Roubaix! Bij de pronostiek in het college mochten we toen niet meer op Van Looy gokken, hij won toch altijd.’

Mijn pa bleek geen wielerencyclopedie te zijn, eerder een specialist in één specifiek domein: Rik Van Looy, de man van wie hij op kot in Leuven een foto had gekleefd in de hoek van zijn spiegel. Wat men noemt ‘een idool’. De exploten van Rik II hadden de jeugd- en studentenjaren van mijn vader zoveel kleur gegeven dat al wie daarna kwam als grijze muizen verbleekten in diens schaduw. ‘Eddy Merckx?’ blies hij toen ik die ene naam uit de oude doos die ik wel kende, voor zijn voeten gooide. ‘Kleurloos figuur. Rik Van Looy lachte tenminste nog als hij won, van Merckx ging niets uit. Bleiten, dat kon hij wel, als hij gedeclasseerd werd…’ Harde woorden van een rabiate fan, die na 1970 nooit nog een andere coureur zo heeft vereerd als de Keizer van Herentals.

Alsof de wielergoden er zich persoonlijk mee bemoeid hadden, werd ik 17 jaar later zelf een inwoner van Herentals. Uit het verre West-Vlaanderen weggelokt door een knappe Kempische. Plots was ik een onderdaan van de keizer. Ik woonde hier amper een week toen ik hem op de Grote Markt de straat zag oversteken, eerlijk gezegd moest ik voor hem de remmen van mijn fiets dichtknijpen. Stel je voor dat ik hem had aangereden! Dan had ik me hier nooit nog in het openbaar mogen vertonen. En misschien nog erger: dan had mijn vader me zonder twijfel onterfd. Zover kwam het gelukkig niet. Integendeel, niet veel later ging ik in het Bloso-centrum in de rij staan om een exemplaar van het boek ‘Rik Van Looy, monument van een keizer’ door Zijne Hoogheid himself én zijn Nini te laten signeren. Gericht aan mijn vader natuurlijk. 

Dat ik hier nu vandaag opnieuw oog in oog mag staan met de allerbeste coureur in de geschiedenis – zo is het mij tenminste altijd verteld, en wie ben ik om mijn pa tegen te spreken? – vervult me dan ook met enorme trots. Ook mijn vader is hier aanwezig. Als ik hem naar een pronostiek zou vragen voor de 2de editie van de GP Rik Van Looy, dan zou hij sowieso weer op zijn held gokken, als dat zou mogen. ‘Want’, zo zou hij zeggen, ‘Rik Van Looy wint altijd. Behalve die keer in Herentals, in de Tour van ’62, toen hij bijna verkeerd reed.’ Maar da’s weer een ander verhaal…

De Koperen Kogel