27/06/19 De strijdlustigsten aller Galliërs (Cycling.be)

Op 29 juni 1969, exact vijftig jaar geleden, won Faema in Sint-Pieters-Woluwe de ploegentijdrit van de Tour de France. De kopman van dat team, dat uit negen Belgen en één obligate Italiaan bestond, was een zekere Eddy Merckx. Voor de jongere lezers: Merckx zou in diezelfde Tour nog drie tijdritten en drie bergetappes winnen, alsook de gele en de groene trui, het berg- en het ploegenklassement, én het klassement van de strijdlust. 

Dat laatste lijkt een voetnoot, maar is het niet. Want het zegt alles over de manier waarop Merckx zijn eerste van vijf Tourzeges pakte. Zelfs toen zijn rivalen zich al hadden neergelegd bij zijn heerschappij, trok hij ten aanval om hen (of toch minstens hun waardigheid) met huid en haar op te vreten, en zichzelf aldus een niet al te elegante bijnaam aan te meten. 

Dat Chris Froome zijn vijfde Tourzege uitgerekend zou behalen in de editie die Eddy Merckx huldigt, had ik dan ook pijnlijk ironisch gevonden. Uiteraard wenste ik hem niet de pech toe die hem te beurt is gevallen. Wat ik wel wens, is dat een van zijn schaduwkopmannen dit keer méér gaat doen dan één keer toeslaan en vervolgens controleren. En dat de concurrenten, in plaats van elkaar lafhartig het wit uit de ogen te kijken, elkaar het zuur in de benen demarreren. Weg met de berekening tot de slotkilometers van de slotklim. Rijden, potverdorie, en strijden. 

Gebeurt dat niet, dan koester ik de compleet irrationele hoop dat de toeschouwers, uit protest tegen een peloton dat zichzelf én het publiek in slaap wiegt, een namiddagdutje veinzen op het moment dat de koers voorbijkomt. Veel zou zo’n symbolische middelvinger wellicht niet uithalen. De tijden zijn veranderd, de commerciële belangen te verlammend. 

Kunnen we dan enig heil verwachten van de Belgen? Over een Eddy Merckx beschikken we al lang niet meer – de kans dat een Ecuadoraan ooit de Tour wint, is veel groter dan dat een Belg dat doet. En wie luidop droomt van 13 Belgische ritzeges, zoals in 1969, moet dringend de hematocrietwaarde in zijn hersenen laten nakijken. 

Nochtans schreef Julius Caesar, visionair koerskenner, het al: “De Belgen zijn de strijdlustigsten aller Galliërs.” En aangezien ik toch in een irrationele bui ben*: waarom zou Philippe Gilbert niet even snel van Brussel naar Charleroi en terug kunnen rijden als hij deed van Parijs naar Roubaix? Het geel kan hij na de zege van Deceuninck-QuickStep in de ploegentijdrit enkele dagen blijven dragen. (Oliver Naesen, winnaar in Épernay, vormt immers geen bedreiging.) 

Op La Planche des Belles Filles moet Gilbert zijn trui afstaan aan een vroege vluchter die het uitzingt tot aan de top: Thomas De Gendt. “Vergeleken met de Ventoux en de Stelvio is zo’n Vogeesje toch maar klein bier?” reageert die laconiek. 

In de overgangsritten schenken Jasper Stuyven, Greg Van Avermaet en Tim Wellens ons land drie triomfen op een rij. Pas op de Tourmalet, waar Serge Pauwels eindelijk zijn moment de gloire beleeft, verspeelt De Gendt het geel. Maar de Belg is behalve dapper ook sluw. De Gendt brengt de eerste twee Alpenritten comfortabel in de bus door, om zich richting Val Thorens – middels een nieuwe soloslim – in de bolletjestrui én naar de tweede plaats in de stand te katapulteren. (Een eerste plaats zou écht bij de haren getrokken zijn.)

Op de Champs-Élysées zet Yves Lampaert de kers op de Belgische taart met een geslaagde alles-of-niets-demarrage. 

De prijs van de strijdlust ten slotte gaat zowaar naar een ploeg: Wanty-Gobert, dat in elke vlakke etappe de laatst overgebleven vluchter leverde. Hilaire Van der Schueren pinkt een traantje weg en krijgt een knuffel van eregast Eddy Merckx, trotser dan ooit op zijn vaderland. 

* Joker van de auteur: op het moment van dit schrijven zijn de definitieve deelnemerslijsten nog niet bekend. Daarom staat het u vrij elke Belgische naam in deze pronostiek te vervangen door Wout van Aert. Die kan tegenwoordig toch zo goed als alles.

 

De Koperen Kogel