03/10/19 'Ik zie je boven wel' (Cycling.be)

De titel boven dit stukje lijkt een onschuldig zinnetje, maar die vijf banale woorden zijn o zo zwanger van betekenis. Wie ooit al in het gezelschap van een kameraad door een heuvel- of bergachtig gebied heeft gefietst, begrijpt meteen dat deze mededeling verschillende emotionele lagen heeft, afhankelijk van aan welk uiteinde van de boodschap u zich bevindt. Bent u de ‘ik’ of bent u de ‘je’?

Eerst even de context scheppen. Een gepassioneerd trainingsbeest kun je jezelf niet noemen, maar je beschouwt jezelf wel als een geoefend fietser met een meer dan degelijke basisconditie die – wanneer werk, familie, andere hobby’s het toelaten – eropuit trekt voor een ritje van 80 à 90 kilometer. Samen met je kameraad, die in dezelfde categorie van wielertoeristen valt onder te brengen, neem je deel aan een georganiseerde toertocht van ruim 110 kilometer die vertrekt in hartje Kempen en tijdens een ommetje door het Hageland – nog altijd een zwaar onderschatte regio in wielerland – een zestal venijnige ‘neepjes’ aandoet. 

In de aanloop naar ‘die zone van de waarheid’ malen jullie zij aan zij en gezellig keuvelend de kilometers weg. De verleiding is groot om in het kielzog te springen van voorbijrazende groepjes, maar jullie hebben genoeg zelfkennis om te beseffen dat hun gemiddelde snelheid jullie nog vóór de finish duur/zuur te staan zal komen. Dus nestelen jullie zich in een veiliger pelotonnetje, waar jullie het kopwerk stilzwijgend uitbesteden. Uit voorzorg voor wat nog komt.

Want plots is het ieder voor zich. Bij het uitrijden van een woonwijk loopt de weg omhoog, richting een hoger gelegen bos. Eerst geleidelijk, maar dan – totaal onverwachts, na een bocht – heel steil. De voorbijrazende renners van daarnet, die ‘op de grote plateau’ naar boven dachten te stoempen, proberen ternauwernood hun ketting te verleggen en parkeren ei zo na.

Jullie, daarentegen, hebben net op tijd een ronddraaibare versnelling gevonden en laveren behoedzaam tussen de stilvallers, op zoek naar het meest kostenefficiënte traject. En dan – totaal onverwachts, na de eerder vermelde bocht – hoor je de magische woorden: ‘Ik zie je boven wel.’ 

Je bevindt je dus aan het ontvangende uiteinde van de boodschap. Jij bent de ‘je’.

De adrenalinerush die door je aderen raast – in wielerjargon weleens ‘vleugels’ genoemd – verdrijft het zuur uit je kuiten, laat je dansen op de pedalen en richt je blik vol vertrouwen naar de top, waardoor je de alarmerende cijfers op je hartslagmeter vrolijk negeert. Die zie je pas wanneer je boven bent, en terwijl je half surplacend achterom kijkt, wachtend tot de kruin van je compagnon verschijnt, stel je tot je geruststelling vast dat je hart al op een aanvaardbare manier begint te kloppen.

Je weet hoe de ‘ik’ in de boodschap zich voelt, want je bent hem ooit geweest. Je hebt zelf ooit de bewuste zin uit de titel uitgesproken, hebt er zelf ooit mee bedoeld: ‘Wacht je boven op mij?’ zonder dat letterlijk over je lippen te krijgen. Onvermijdelijk sluimert er in die vijf woorden wat ontgoocheling. Wielertoeristen blijven haantjes die liever niet elkaars zitvlak te zien krijgen. Maar bovenal getuigen ze van ootmoedigheid en respect. Respect dat wederzijds is en ervoor zorgt dat de boodschap nooit in de andere richting wordt uitgesproken, want dat zou strikt genomen ook kunnen. Dat jij, in dit concrete voorbeeld, tegen je trainingspartner zou zeggen: ‘Ik zie je boven wel’, wat eigenlijk zoveel zou betekenen als: ‘Ik wacht boven wel.’ In de praktijk komt het op hetzelfde neer – je bent effectief boven aan het wachten – maar het zit ‘m in de emotionele gelaagdheid. In plaats van nederig zou het vernederend klinken. En dat hoort niet.

De kameraad haalt probleemloos de top, zij het in zijn eigen tempo, nadert, komt naast je rijden. Hij kijkt je kort aan en zegt, met zijn blik of met woorden, wat je eigenlijk zelf al wist. Dat je g*dverd*mme goed bent. 

Op de volgende klim hoeft hij niets meer te zeggen. Je zult wel wachten.

De Koperen Kogel