31/10/19 Herfst (Cycling.be)

Het tweede weekend van oktober. Emma Meesseman, uit de Westhoek, dribbelt en reboundt zichzelf tot Most Valuable Player in de play-offs van de WNBA. Nina Derwael, uit Haspengouw, zwiert en landt quasi foutloos richting wereldtitel. Eliud Kipchoge, uit Kapsisiywa, loopt van Herentals naar Turnhout en terug in minder dan twee uur. En de Rode Duivels scoren elf keer in twee interlands, zij het tegen een zootje San Marinezen en Kazakken. Aan sportactualiteit geen gebrek dezer dagen. Maar als columnist voor een magazine met de naam Cycling.be lijkt het me logischer om het over de koers te hebben.

Vandaar deze quizvraag: wie won in 1994 de Ronde van Lombardije? Niet opzoeken!

Het antwoord: Vladislav Bobrik. 

Die mag je voor mijn part wél opzoeken. En vaststellen dat er bijzonder weinig over deze obscure Rus valt terug te vinden. Achter het IJzeren Gordijn gold hij als een grote belofte, maar in zijn negen jaar als prof – meer dan ik me kon herinneren – bleef het uiteindelijk bij die ene echte uitschieter. Niet toevallig in 1994 trouwens, het jaar waarin zijn ploeg Gewiss alles aan flarden reed. Giorgio Furlan won Milaan-Sanremo, Jevgeni Berzin was de beste in zowel Luik-Bastenaken-Luik als de Giro. Tussendoor degradeerden ze samen met ploegmaat (en winnaar) Moreno Argentin de verzamelde tegenstand tot meelopers in de Waalse Pijl. Een klein half jaar later vloerde Vladislav Bobrik, een 23-jarige snotneus uit Novosibirsk, ervaren rotten als Claudio Chiappucci en Pascal Richard in de Klassieker van de Vallende Bladeren. Niet beseffend dat vroeg rijp in zijn geval ook vroeg rot zou betekenen. Zijn blad spartelde nog vijf jaar aan een vermolmde tak en viel toen ten gronde, om ten slotte bedekt te worden door het stinkende mos dat in de nasleep van de duistere jaren negentig welig tierde.

Een kwarteeuw later won Bauke Mollema in Lombardije ook zijn allereerste monument. Maar daar stopt elke vergelijking met Bobrik. Mollema, bijna 33, heeft de herfst van zijn carrière namelijk wel bereikt. Een carrière die veelbelovend begon, met eindwinst in de Ronde van de Toekomst in 2007, en zich daarna logisch en gestaag ontrolde: een derde plaats in de Vuelta van 2011, drie keer top 10 in de Tour, een pak ereplaatsen in de Ardennen, de Amstel Gold Race en San Sebastián, waar hij in 2016 uiteindelijk ook zijn eerste klassieke zege boekte. Een jaar later ook bingo in de Tourrit naar Le Puy-en-Velay. 

Een veelwinnaar is Bauke niet geworden, en door zijn ietwat hoekige stijl (de Paula Radcliffe van de koers) kun je hem bezwaarlijk een pédaleur de charme noemen. Maar ik mag hem wel. Belezen, tikkeltje mysterieus, gedreven. 

Op weg naar Como reed hij weg van kleppers als Valverde, Roglic en Bernal en hield hij daarna kranig stand. ‘Ik kan het niet geloven’, sprak de dolgelukkige Nederlander na afloop. 

Dat is het 'm net. Ik kan het wél geloven. En dat is voor mij, een kind van de jaren negentig, ooit anders geweest. 

Hét moment van wielerjaar 2019 zou ik Mollema’s overwinning niet noemen, al is mijn persoonlijke keuze in zekere zin zwanger van dezelfde symboliek. Het gebeurde op zo’n 12,7 kilometer van de finish in Harrogate. Mathieu van der Poel boog plots het hoofd, schuddebolde even en kon plots amper sneller rijden dan Kipchoge een marathon loopt. Gedoodverfd werd doodgeverfd. Ik had het hem nochtans gegund, zeker omdat hij het andermaal had aangedurfd om in een saaie, afwachtende koers als eerste een cartouche te verschieten. In de Amstel Gold Race was hij daar op glorieuze wijze nog mee weggekomen – ook kandidaat voor Moment van het Jaar, trouwens – maar de tijd dat we bijna wekelijks op dat soort exploten getrakteerd werden, ligt achter ons. Gelukkig maar. Mathieu kan kraken, en dat stelt me gerust. Die wereldtitel op de weg komt er wel. Desnoods in de herfst van zijn lange carrière.

De Koperen Kogel