05/12/19 Tijdloos (Cycling.be)

De stip wordt steeds groter. Ik kom langzaam maar zeker dichterbij. Hij rijdt net iets trager dan ik, echt niet veel. Al van hectometers ver herken ik het schreeuwerige truitje. Flets lichtblauw dat geleidelijk overgaat in een iets fellere tint, met rood-geel-zwarte strepen eroverheen en in rode letters daarboven: FERYN. Bij mijn weten is er geen Vlaams bedrijf dat de marketingtroeven van het wielertoerisme efficiënter heeft benut. De producent van garagepoorten uit Kapelle-op-den-Bos prijkt op wielershirts van De Panne tot Kinrooi.

De dragers ervan zijn doorgaans even tijdloos als hun outfits. Zo ook de fietser die ik op het punt sta voorbij te steken op het smalle jaagpad langs het kanaal. Even moet ik in zijn wiel blijven zitten, omdat van de andere kant een aantal fietsers ons tegemoet komen gereden. 

Zoals wel meer van zijn generatiegenoten draagt hij geen helm. (Waarom nog nieuwe gewoontes aannemen in het zicht van de eindmeet?) Plukjes dun grijs haar priemen onder zijn petje uit. Dat petje, gesponsord door een of andere garage uit een of ander Kempisch dorp, past niet bij zijn shirt. Zijn handschoentjes passen niet bij zijn petje noch bij zijn shirt. Zijn doodgewone grijze sokken – denk Edwig Van Hooydonck in die doorregende Ronde van Vlaanderen van 1989 – passen niet bij zijn petje noch bij zijn shirt noch bij zijn handschoentjes. Zijn egaal zwarte leren schoenen passen dan weer overal bij. Ze zijn ‘vintage’, een woord dat deze man zo goed als zeker vreemd in de oren klinkt. Wat hem betreft, zijn het gewoon de onverslijtbare schoenen die hij altijd al heeft gehad. Ze zitten met leren riempjes vastgeklemd in de al even vintage toeclips van zijn grijsgroen gekleurde stalen ros.

Elke vestimentaire of fietsbouwkundige trend is volledig voorbijgegaan aan deze wielertoerist, die ik in mijn hoofd ‘Louis’ doop. Ook aan de inzichten van de hedendaagse trainingsleer heeft hij zichtbaar lak. Zijn dijen, waar het vel niet meer zo hard omheen spant als in zijn beste dagen, draaien een verzet rond dat zijn pezige knieën zou moeten slopen. Alsof hij slechts dertig omwentelingen per minuut haalt. Maar Louis geeft geen krimp en blijft 25 kilometer per uur fietsen, zo constant dat een hartslagmeter zonde van het geld zou zijn. 

De eerste fietsers die ons kruisen behoren tot één en dezelfde wielerclub. Uniform gekleed (assorti met de kleur van hun lichtgewichtcarbonfietsen), gladgeschoren gebronzeerde benen (overgehouden aan een fietstrip op Mallorca?), te slanke tailles om nog mannelijk te zijn, strak tempo dat hen er niet van weerhoudt gezellig te keuvelen. Ze worden op de huid gezeten door een speedpedelec, die klinkt als een opstijgende Boeing en bij zijn passage zoveel tegenwind genereert dat onze eigen snelheid terstond naar 23 km/u daalt. 

Wanneer ik Louis inhaal en minzaam goeiedag knik, probeer ik in zijn hoofd te kruipen en zijn leven door te lichten. Misschien was hij ooit ook zo’n snelheidsduivel, maar waarom zou hij nu nog haast maken? Hij heeft alle tijd van de wereld, ook al is hij er minstens tachtig. Of net daarom. Louis doet zijn goesting en heeft zo zijn routines. Zijn rode loopneus en de zakdoek in zijn achterzakje verraden een verkoudheid, maar het is dinsdag en dus rijdt Louis hoe dan ook zijn vaste toer van 100 kilometer. Richting Herentals, want op donderdag rijdt hij richting Limburg, en sinds hij niet meer naar de mis gaat, probeert hij ook op zondagochtend nog een ritje te maken. Zijn vrouw Josée heeft zijn Feryn-truitje gewassen en de avond voordien klaargelegd op de stoel in de badkamer. ‘Voorzichtig zijn’, zei ze toen ze hem zijn twee drinkbussen met kraantjeswater en een stuk in zilverpapier gewikkelde peperkoek gaf. ‘En forceert u niet. Ge moet straks nog het gras afrijden.’

Mij wachten thuis deadlines, waardoor ik noodgedwongen mijn tempo wat opvoer. Door diezelfde deadlines zal dit wellicht weer mijn enige rit van de week blijven. Ik ben jaloers. Jaloers op tijdloze Louis met zijn hopen tijd. 

De Koperen Kogel