31/12/19 Ganzenvel (Cycling.be)

Als mensen me vragen naar mijn culinaire voorkeuren, dan antwoord ik steevast ‘Italiaans’. Dat ik me tot voor kort baseerde op de spaghetti bolognese (zonder champignons!) en de macaroni met kaas en hesp die la mamma voor me bereidde, vertel ik er niet bij. En dat ik ooit, voor het gastronomisch snobisme losbarstte, een pizza met ananas durfde te verorberen, verzwijg ik al helemaal. (Aan wie uit weerzin weigert verder te lezen, één woord: fusion.)

Tegenwoordig is mijn voorliefde voor Italiaans eten iets steviger onderbouwd. Het is een hele uitdaging om in Silicon Valley, waar ik om professionele redenen regelmatig vertoef, een Italiaans restaurant die naam waardig te vinden. Maar mijn collega’s uit de Laars – strengere recensenten zijn niet denkbaar – leerden me Doppio Zero kennen, een kleine keten die vooral specialiteiten uit Campanië op het menu heeft staan. In november bezocht ik voor het eerst hun zaak in Cupertino… 

Dat boven de toonbank enkele reusachtige tv-schermen beelden van American football braken, draagt niet bepaald bij tot de authenticiteit van deze plek, maar dat maken de namen op de kaart ruimschoots goed: Marechiaro, Garganelli, Bottarga. De welluidendheid van die gerechten katapulteert me terug naar mijn oude wielergidsen, die me deden wegdromen bij als pastasoorten klinkende namen als Giupponi, Bombini, Borgheresi, Sgambelluri, Spezialetti en Fornaciari (voor zover ik weet geen familie van Zucchero Fornaciari, die het in dit restaurant heeft moeten afleggen tegen de onvermijdelijke Eros Ramazzotti). 

De taal van Dante heeft me van kindsbeen af bekoord en Romaanse Talen doen studeren. Wanneer ik de kelner in zijn moedertaal hoor praten met mijn collega, betreur ik nog maar eens dat ik geen Erasmusjaar heb aangedurfd. (Eén professor meende nochtans Napolitaanse wortels te ontwaren in mijn met West-Vlaamse klanken doorspekte pseudo-Italiaans.)

‘And you, sir, where are you from?’ vraagt hij mij.
‘Belgio’, antwoord ik, alvorens meteen op Engels over te schakelen: ‘And where in Italy did you grow up?’
‘A small city in Emilia-Romagna, called Cesenatico.’
‘The hometown of Marco Pantani!’ floep ik eruit.
De man kijkt me aan alsof hij een geest heeft gezien. 
‘Marco…’ stamelt hij op de dramatische toon waar Italianen een patent op hebben. Vervolgens vertelt hij dat hij Elvis heet, naar die andere veel te vroeg gesneuvelde held, en dat hij zelf ook aan wielrennen heeft gedaan. ‘In de jeugd heb ik nog samen met Marco getraind!’ 

Heel even vraag ik me af hoeveel mensen in de ruime regio rond Cesenatico ooit een kilometer of twee in het wiel van Marco Pantani hebben gefietst en zichzelf tot zijn ‘trainingspartner’ hebben gebombardeerd. Maar ik geloof Elvis. ‘Jarenlang gingen we met een groep vrienden trainen, het was een prachtige tijd. Maar Marco had oneindig veel meer talent dan ik. Ik kwam te kort voor een profcontract.’ 
Plots schieten Elvis’ ogen vol.
‘Sorry, het wordt me te veel. Kijk,’ wrijft hij over zijn arm, ‘ik krijg er nog steeds pelle d’oca van.’

Ganzenvel, zeggen de Italianen, zoals de Engelsen. 
Ik beeld me de twee knapen in, stuur aan stuur keuvelend langs de Adriatische kust, dromend van een toekomst in het peloton. Intussen is de Piraat al vijftien jaar dood en schotelt Elvis me aan de andere kant van de wereld fettucine al cinghiale voor – nooit geweten dat everzwijn zo geraffineerd kon smaken. Hij komt me nog zeggen dat hij niet vaak meer fietst, tenzij op een eenwieler – zijn nieuwe passie. ‘Soms voer ik kunstjes op tijdens verjaardagsfeestjes.’ Er schuilt een performer in Elvis, hoe kan het ook anders.

Na de Amaro Montenegro van het huis komt hij me stevig de hand drukken. Is hij toch dankbaar dat ik hem aan zijn jeugd in Cesenatico heb herinnerd? En aan Marco Pantani? Voor mij was dit in elk geval het ganzenvelmoment van 2019. En voor 2020 neem ik me voor mijn Italiaans bij te spijkeren. Voor 'buon Natale' is het al te laat als u dit leest, maar bij deze toch 'tanti auguri di buon anno'.

De Koperen Kogel