27/02/20 Antigif voor zwartkijkerij (Cycling.be)

‘Jongens, toch, hoe vaak gaan ze die Stig Broeckx nu nog opvoeren? We kennen zijn verhaal intussen wel, hoor. En nu ga jij er nog een boek over schrijven ook, en komt er nóg een docu! Wat met al die mensen die dezelfde strijd moeten leveren en waar de media niet naar omkijken?’

Het was een dierbare vriend van me die deze woorden vorige zomer uitsprak, na Stigs passage in Vive le Vélo. Hoewel ik Stig en zijn ouders op dat moment al verschillende keren had gesproken en ik louter bewondering en zelfs genegenheid voor hen kon opbrengen, ging ik niet te stevig in het verweer tegen deze op het eerste gehoor nogal zure oprisping. Ooit – en dit geef ik niet zonder schaamte toe – heb ik me daar namelijk zelf ook schuldig aan gemaakt…

Uiteraard oogstte triatleet Marc Herremans meer dan terecht respect voor zijn doorzettingsvermogen en de extreme prestaties die hij na zijn onfortuinlijke val nog neerzette. Maar hoe vaker hij zijn verhaal mocht vertellen, hoe immuner ik ervoor werd. Ook toen Marieke Vervoort niet van het scherm weg te branden was, dreigde de overkill – een val waar de Vlaamse media al te vaak in lopen, tot ze hun pijlen op een nieuw charismatisch kijk- of leescijferkanon richten. Mijn sympathie voor Wielemie sloeg bijna om in een soort ergernis. Misschien leed ik wel aan die ‘typische Belgische ziekte’ om heldendom kapot te relativeren.

Tot ik Herremans en Vervoort persoonlijk ontmoette voor een reeks interviews rond het thema ‘wilskracht’. Mijn gemengde gevoelens werden prompt weer herleid tot onversneden respect. Alsof ik het moest zien om het te geloven, om te beseffen dat hun publieke optredens slechts het topje van een ijsberg waren. Een ijsberg genaamd ‘het dagelijkse leven’, waar ze 24/7 het beste van proberen te maken ondanks de confronterende waarheid dat hun lichaam niet meer kan wat het ooit kon.

Toen ik Stig in de lente van 2019 voor het eerst ontmoette, voor een verkennend gesprek over het boek dat hij wilde (laten) schrijven, kende Vlaanderen hem vooral van de reeks Bargoens, waarin zijn onverhoopte revalidatie werd belicht. Van onverschilligheid en irritatie was bij mij nog geen sprake. Integendeel. Zijn niet aflatende optimisme had de chronisch humeurige zagevent die ik ben tot introspectie gedwongen: moest ik niet dringend anders in het leven leren staan? Dat gevoel werd bij dat eerste gesprek nog versterkt. Na het verlaten van de ouderlijke boerderij in Dessel reed ik huiswaarts met een glimlach zo breed als het Kempisch Kanaal. Ik voelde me zowaar ‘geïnspireerd’.

Dat heb ik op die zomeravond allemaal aan die vriend van mij verteld. En ik voegde eraan toe dat ik één voorwaarde had gesteld in verband met het boek: dat het geen heldenepos mocht worden. Hoe sterk Stig ook mocht wezen, hij en zijn ouders moesten ook eerlijk en openhartig zijn over de twijfels en de frustratie die onvermijdelijk soms de kop opsteken. Want een eendimensionale goednieuwsshow kon weleens het omgekeerde, ontmoedigende effect hebben op de lotgenoten ‘waar de media niet naar omkijken’ en die hij net wilde inspireren. Niet iedereen is immers begiftigd met zóveel positivisme.

Een andere kameraad wierp onlangs een andere kritische bedenking op: ‘Is het niet ironisch dat Stig Broeckx nu veel bekender is dan hij als wielrenner ooit had kunnen worden?’ Het antwoord, zo geeft Stig letterlijk toe in het boek, is ja. ‘Maar als dat me toelaat om anderen te motiveren, dan is dat de mooie keerzijde van die vreselijke val die mijn leven overhoop heeft gegooid.’ En, zo gaat hij verder: ‘Ik besef maar al te goed dat de aandacht vanzelf zal verminderen. Daar zal ik niet rouwig om zijn. Binnenkort ben ik weer de normale Stig, niet alleen de Stig die gevallen is.’ Ik hoop – en vergeef me alstublieft dit streepje sluikreclame – dat Zeg nooit nooit die ‘normale Stig’ al portretteert. Stig zoals hij is, en eigenlijk altijd al is geweest. Een goedlachse, nuchtere, koppige Kempenzoon. Levend antigif voor zwartkijkerij.

De Koperen Kogel