18/08/20 September (Cycling.be)

10 juli 1993. Péronne, aan de Somme. Zoals alleen hij dat kan, met zijn puppyoogjes mededogen vragend aan de omstanders, heeft papa mij tot op de eerste rij gewurmd. Vlak voor het podium waar elke renner het startformulier moet ondertekenen. Letterlijk elke renner! Wanneer het peloton als één lang uitgesponnen zoemende zwerm voorbij zoeft, zie je ze strikt genomen ook allemaal, maar zodra je je ogen fixeert op dat ene gezicht dat je herkent (‘Daar! Van Hooydonck!’) of die regenboogtrui die je ontwaart (‘Daar! Bugno!’), zijn er zo weer een vijftigtal naamloos de verte in verdwenen.

Tijdens de startceremonie kun je je minutenlang vergapen aan zowel topfavoriet Miguel Indurain als aan pakweg Patrice Esnault, van wie de presentator los uit het hoofd vertelt dat hij vorig jaar de beste was in Paris-Camembert. Als het niks wordt met die voetbalcarrière van mij, dan wil ik doen wat die speaker doet. Hij, en niet Miguel Indurain, is mijn ware idool. Sinds vijf jaar vreet ik koersnieuws en verteer ik het tot een nutteloze stapel wielerweetjes in mijn bovenkamer. De enige manier om daar ooit iets nuttigs mee te doen, is door de opvolger te worden van Daniel Mangeas, want zo heet de man.

Deelnemerslijst in de hand (om zelfs de alleranoniemste renner die voorbijkomt te identificeren – 184. Stefano Cortinovis) plak ik tegen een nadar. Op mijn hoofd staat een petje van R.M.O. Dat kochten we in 1991 in Arras, waar ik de meerwaarde van zo’n startceremonie ontdekte. Toen heb ik – net geen twaalf jaar oud – zo’n anderhalf uur op de schouders van mijn vader gezeten om boven de mensenzee uit te torenen. Nu ben ik twee jaar ouder en kan papa zichzelf ontzien. En mij loslaten. Wanneer ik na enkele minuten paniekerig om me heen kijk, vind ik al snel zijn blik, een paar meter verderop. Hij blijft wel in de buurt, zeggen zijn ogen. 

Naast mij speurt een bejaarde Franse vrouw haar eigen deelnemerslijst af. Ze vraagt aan haar man waar de afkorting (Slv) achter de naam Jan Svorada voor staat. 

“Slovénie?” antwoordt die twijfelend.

“Non, Slovaquie”, corrigeert een Belgische snotneus hen, zich afvragend waarom iemand die Jan Svorada niet kent hier per se op de eerste rij wil staan.

19 juli 2014. Ik heb mijn vrouw en drie zonen meegetroond naar de slotklim richting Risoul. Zo ontzie ik mijn schouders en kunnen we toch alle renners zien én herkennen, want op zo’n Alp is van een zoemende zwerm geen sprake. En de oudste kan indien nodig nog rugnummers opsnorren in onze L’Équipe. Die ben ik daarnet nog snel gaan kopen, terwijl mijn gezin zich vergaapte aan een doos La Vache Qui Rit met een diameter van twee meter die schijnbaar onbemand de col op rolde. 

Nu de karavaansbuit binnen is, stijgt de spanning in de bocht waar wij staan. Minstens vijfhonderd mensen bevolken mijn gezichtsveld. Naast mij vraagt een Frans meisje aan haar vader, hangend in een kampeerstoeltje met een blikje Kronenbourg in de hand, wie eigenlijk le maillot jaune draagt.

“J’sais pas”, antwoordt die zonder schaamte.

Twee minuten later rijdt Rafal Majka solo voorbij, kort daarna gevolgd door de gele trui. De man veert recht en schreeuwt zich schor. Zijn dochtertje aapt hem na. Mijn vrouw, mijn drie zonen en ikzelf ook. 

8 september 2020. Herentals. Ik kijk naar het klokje rechtsboven op mijn computerscherm en besef pas na enkele seconden dat het al “zo laat” is. Na die rustdag van gisteren was ik glad vergeten dat er vandaag weer gekoerst werd. Ik laat mijn werk even voor wat het is, en sprint de trap af. Voor de televisie tref ik drie gamende kinderen aan.

“Stoppen, jongens, ik wil de Tour zien.”

“Maar we zijn pas begonnen, eerst moest ons huiswerk af.”

Ik houd voet bij stuk. Een minuut later zie ik het peloton door een desolaat landschap glijden. In de dorpjes staat het publiek welgeteld één rij dik, die verdampt eenmaal de zwerm voorbij gezoefd. De dagtaak wacht immers. Ik vrees dat zelfs Vive le Vélo me vanavond niet in de stemming zal kunnen brengen.

De Koperen Kogel