04/11/20 Contrast (Cycling.be)

Leeswaarschuwing: dit stuk bevat geen verdachtmakingen, laat staan beschuldigingen. Het verwoordt hoogstens een klein pleidooi om niet ten prooi te vallen aan blinde passie.

Toegegeven, het is moeilijk om niet aan zulke blinde passie te bezwijken na dit (superlatief naar keuze) wielernajaar. Het puntje van mijn stoel was tegen de Ronde van Vlaanderen al dermate weggesleten dat mijn poep tijdens de millimeterspurt tussen Wout en Mathieu onzacht met de grond in aanraking kwam. Want behalve dit duo hebben ook Pogacar, Alaphilippe, Hirschi en Pedersen ons begeesterd met koers zoals koers hoort te zijn – ik zou haast zeggen: op zijn Evenepoels, om nog zo’n lefgozer te noemen.

Toevallig (en helaas) wisselde dit onversneden wielerplezier de voorbije weken af met het door merg en been snijdende cynisme in de documentaire Lance. Met afgestreken gezicht beweert Armstrong daarin spijt te hebben van hoe hij zich heeft gedragen, maar dat hij nog altijd precies hetzelfde zou doen: de boel bedriegen én erover liegen. ‘Want iedereen deed het.’ Het klopt dat zijn leugen dezelfde was als die van andere dopingzondaars, alleen veel explicieter herhaald omdat de vraag hem simpelweg veel vaker is gesteld. Maar ‘iedereen deed het’ is een kaakslag voor elke getalenteerde coureur die gedesillusioneerd raakte door de wereldvreemde bubbel die het peloton toen was, bevolkt door sociopaten die zich boven de wet waanden en zich arrogant gedroegen tegenover buitenstaanders.

Het contrast met de hedendaagse coureurs kan niet schriller zijn. Hun stijl op en naast de fiets is een streling voor het oog én het oor. Deze sympathieke en snuggere kerels, met een gezonde dosis zelfrelativering, zijn geen stamelende stoempers die elke dag driehonderd kilometer malen omdat dat nu eenmaal moet, of die zich n’importe quoi laten inspuiten door schimmige soigneurs zonder diploma maar met de juiste vriendjes. Dit zijn kritische en mondige atleten die waken over hun lijf, daarin bijgestaan door deskundige trainers en diëtisten. 

Maar als men mij vraagt of alles er nu wél proper aan toegaat, dan stel ik met spijt in het hart vast dat mijn wonde nog altijd niet helemáál is dichtgegroeid. De confrontatie met Lance herinnerde me eraan hoe we ons amper één jaar na de Festina-Tour weer gezamenlijk lieten meeslepen door een ex-kankerpatiënt die iedereen op miraculeuze wijze zoek reed. En de exploten van Landis, Rasmussen, Vinokoerov en Riccò waren evenmin te danken aan vitamientjes en doorgedreven training. Eerlijk: hadden we extreem straffe stoten zoals Pogacars klimtijdrit, Van Aerts beulenwerk in de cols of Van der Poels solo in de BinckBank Tour ook zomaar geslikt als we er in pakweg 2010 getuige van waren geweest? 

Maar het is 2020 en de tijdsgeest is anders, dankzij het bloedpaspoort en de steeds wetenschappelijkere begeleiding. Ik ben dan ook geneigd te geloven dat die inhaalbeweging én onmiskenbaar talent verklaren waarom Pogacar in de jongste Tour gemiddeld sneller fietste dan Bjarne Riis in 1996. Maar tegelijk hoop ik ook dat journalisten en fans (in België vaak hetzelfde) niet in slaap gedommeld zijn. Kunnen we, naast blind gepassioneerd, alsjeblieft ook altijd kritisch blijven? 

Zo niet, dan is er nog een optie om het scepticisme te smoren. Dat het huidige peloton, als het over een nog niet bekend en/of nog niet verboden wondermiddel beschikt (of het nu ketonen zijn, dan wel het residu van gecentrifugeerde wombat-urine), daar zelf open kaart over speelt. Zo kan iedereen met gelijke wapens strijden en kan ik het allerlaatste gaatje richting complexloos genieten dichtrijden. Ik weet namelijk niet of deze wielerfan nog eens zo’n ontnuchtering achteraf overleeft.

Maar alle zuurpruimerij op een stokje: nu de koers meer dan ooit een verademing is, geef ik iedereen het voordeel van de twijfel. Met dank aan een boek dat ik toevallig aan het lezen ben: De meeste mensen deugen. Het perfecte tegengif voor Lance, en voor wantrouwen.

De Koperen Kogel