31/12/20 'Kutref' roepen is níét normaal

Een zaterdagnamiddag tussen de eerste en de tweede lockdown. Mijn vijftienjarige zoon speelt een voetbalwedstrijd in Heist, op interprovinciaal niveau. Geen scheidsrechter te bekennen. Uiteindelijk wordt aan de toog van de kantine een vrijwilliger bij de kraag gevat met – stelt iedereen vast – een fameus stuk in die kraag. Tachtig minuten lang strompelt de man over het veld, vijftig meter verwijderd van de actie. Tot driemaal toe stikt hij bijna in zijn fluitje. Wanneer zijn lukrake beslissingen op de korrel worden genomen, pareert hij niet geheel onterecht: ‘Doe het dan zelf.’

Het aantal jeugdwedstrijden waarbij geen scheidsrechter opdaagt (van U6 tot U17, op om het even welk niveau), loopt elk seizoen op. En als er toch één present tekent, dan is het niet zelden een gepensioneerd mannetje dat na vijf minuten het cliché lijkt te bevestigen: thuis niks te zeggen, dus offert hij een deel van zijn weekend op om op een ander respect af te dwingen. Helaas, zijn veel te oude, korte en strakke broekje, zijn truitje dat veel te hard om zijn ouderdomsbuikje spant, zijn actieradius die zich beperkt tot de middencirkel, en de theatraliteit waarmee hij borst vooruit en kin omhoog zijn beslissingen motiveert, werken averechts. Spelers, trainers, toeschouwers ergeren zich blauw. Ikzelf ook, al is er altijd dat stemmetje in mijn achterhoofd dat zegt: ‘We mogen blij zijn dat er nog zotten zijn die dit willen doen.’

Daar moest ik allemaal aan denken toen ik deze week naar Extra Time keek. Frank Raes had het met zijn gasten over de vier speeldagen schorsing die de voetbalbond eiste voor Club Brugge-speler Hans Vanaken (en die intussen is bevestigd). Twee voor de overtreding die hij beging en waar hij rood voor kreeg. Twee extra voor de reactie die hij naar het hoofd van de scheidsrechter slingerde: ‘Kutrefs! Jullie zijn allemaal kutrefs!’. Bij het verlaten van het veld gooide hij er nog een ‘onnozelaars’ achteraan richting vierde scheids.

Dat de rode kaart terecht was, maar de schorsing van twee speeldagen overdreven streng (omdat de fout per ongeluk gebeurde), daar waren Johan Boskamp, Franky Van der Elst, Gert Verheyen en Filip Joos het over eens. En ik ook. Maar tot mijn persoonlijke verontwaardiging volgde daarop collectieve verontwaardiging over het feit dat de bond Vanaken extra wilde straffen voor zijn reactie op die (nogmaals: terechte) rode kaart. Sterker nog, er werd lacherig over gedaan.

‘Als wij daar vroeger elke keer rood hadden moeten voor krijgen …’ Hahaha.

‘Er worden op het veld véél ergere dingen gezegd, hoor. Als we die allemaal twee matchen moeten schorsen ...’ Hahaha.

‘De bond vindt dat Vanaken een voorbeeldfunctie heeft. Kunnen we daar eens mee stoppen? Dat zijn gewoon voetballers, hé.’ Hahaha.

Hans Vanaken hoeft niet zwaarder gestraft te worden dan om het even welke andere speler. Maar voetballers en hun entourage (alsook analisten) mogen stilaan beseffen dat hun gedrag en uitlatingen zich wel degelijk weerspiegelen op en langs de velden van het jeugdvoetbal. Gevolg: een schrijnend tekort aan bereidwillige (en/of bekwame) scheidsrechters, weekend na weekend. Want wie wil er nu ongestraft een ‘kutref’ genoemd worden? Of, zoals Gert Verheyen het zonder enige schroom en met een veelbetekenende grijns zei: véél erger. Dát is de realiteit van het voetbal, anno 2020. Dat we dat normaal vinden.

Als profvoetballers zo nodig hun voorbeeldfunctie willen afwijzen, omdat ze ook maar ‘gewone mensen’ zijn die fouten begaan, mogen we dan verwachten dat die profvoetballers zich tenminste proberen te gedragen als ‘gewone mensen’? En dat ze nederig accepteren dat onfatsoenlijk gedrag niet door de beugel kan?

Als mijn zoon ‘kutleraars, jullie zijn allemaal kutleraars’ zou zeggen als hij – misschien onterecht – vijf bladzijden straf heeft gekregen, en voor die woorden vijf extra bladzijden zou krijgen, dan zou ik dat als ouder begrijpen en aanvaarden. Persoonlijk zou ik het niet in mijn hoofd halen om een agent die me heeft bekeurd omdat ik per ongeluk door het rood ben gefietst, een ‘kutflik’ te noemen.

Trouwens, in de meeste andere sporten – hockey, basketbal, rugby – wordt de wedstrijdleiding wél gerespecteerd en is gedrag als dat van Vanaken (en ontelbare andere voetballers) onaanvaardbaar, zelfs bijna ondenkbaar.

Ik hou zielsveel van voetbal – het spelletje – maar ik heb stilaan mijn buik vol van ‘het’ voetbal, dat door geld en roem gecorrumpeerde parallelle universum waarin normvervaging welig tiert. De sport maakt deel uit van de maatschappij, maar waant zich er al te vaak buiten. Of erboven. Wat gezegd van profvoetballers – of beter: kutvoetballers, u weet wel, die bevoorrechte burgers die wél nog hun job mogen uitvoeren – die lockdownfeestjes geven. Zo wereldvreemd dat ik er bijna van moet kotsen.

Dan veroorzaakt een verwensing als ‘kutref’ inderdaad maar een kleine oprisping. Maar het is de oprisping te veel. En dus zou ik het niet meer dan logisch vinden als arbiters vanaf nu elke speler bestraffen die verbaal over de schreef gaat. Alle beetjes helpen om het voetbal en alle betrokkenen op een grondige realitycheck te trakteren.

De Koperen Kogel