14/11/21 Eden voetbalt niet, hij spéélt voetbal

Trouwe volgers van De Koperen Kogel weten dat ik de voorbije zes jaar geen slecht woord heb gezegd over Eden Hazard. Dus som ik, om zijn prestatie van gisteravond te omschrijven, ook alleen maar enkele van de mooiste woorden op die onze Nederlandse taal rijk is. Stroef. Hortend. Amechtig. Tenenkrommend of -krullend. Verkwanselen.

Dat laatste woord slaat uiteraard op de twee huizenhoge kansen die hij vakkundig de nek omwrong. Als Lukaku met een straat voorsprong op het vijandige doel afstevent en er een doodlopend steegje van maakt, dan vloek ik de hele huiskamer bij elkaar. Als Mertens van zo dichtbij een oprapertje in de handen van de doelman deponeert (wat hij niet veel later zelf ook deed, de slapjanus!), dan noem ik hem een slapjanus en brul ik met de handen ten hemel gericht: ‘Wanneer, in godsnaam, is de wreef in onbruik geraakt?!’

Voor Eden daarentegen spaar ik de roede. Hij mag gerust nog wat afvallen, maar ik zal hem nooit afvallen.

Niet dat ik blind ben voor ’s mans gebreken. Die eerste verkwanselde kans van gisteren werd bijvoorbeeld opgeheven door een ijverig vlaggende grensrechter, die er verkeerdelijk van uitging dat Eden nog zo snel was als in zijn hoogdagen. Dat is hij al even niet meer. Zelfs in zijn snedigste topvorm werd hem, niet altijd onterecht, verweten dat hij het spel nodeloos vertraagde, zich schijndansend en kontdraaiend vooral afvragend hoe hij zijn directe tegenstander kon verschalken.

Toch blijft hij voor mij buiten schot. Zelfs na gisteren. Geen toorn of hoon, maar mededogen voel ik voor Eden, die ik bij zijn voornaam noem omdat ik hem na ruim honderd caps als een copain beschouw, de buurjongen met bakken talent maar zonder kapsones die elke avond na school balletjes trapt in zijn tuin. De Tuin van Eden, een zorgeloos paradijs waar intuïtie en creativiteit nog niet versmacht zijn door loop- en richtlijnen. Eden voetbalt niet, hij speelt voetbal.

Dus als zijn voetjes hem toch eens in de steek laten, hij mijn (en zijn) ruiten intrapt en met die guitige oogjes van hem zijn bal komt terugvragen, dan wordt mijn hart week, kan ik onmogelijk kwaad blijven op die filou en ben ik geneigd hem die bal terug te geven. In de hoop hem nog één keer te zien spelen.

Velen hebben die hoop opgegeven. Koesteren zijn spelplezier niet, maar verwijten het hem net. Dwepen liever met ijdele of kleurloze robots, noemen hem een anachronisme, of nog erger: een Hazbeen. Als dat laatste echt zo is, als zelfs Martínez er na gisteren zo over denkt, dan kan ik alleen maar zeggen: Eden, it haz been a tremendous pleasure.

De Koperen Kogel