26/05/22 Rizzitelli & Raes

Ruggiero Rizzitelli.

Een naam die haast verzonnen lijkt, als toebehorend aan een maffioos booswicht uit een of ander stripverhaal (of aan een te commerciële operazanger, dat kan ook). Die naam klonk als muziek in mijn oren, gisteravond, toen tijdens de rust van de Conference League-finale werd teruggeblikt naar 1991. Het jaar dat ‘The one and only’ van Chesney Hawkes de muziek was die in mijn oren weerklonk, maar vooral het jaar waarin ik als 11-bijna-12-jarige pagadder tot tweemaal toe aan de beeldbuis gekluisterd zat voor de vorige Europese finale van AS Roma. Tegen Inter, heen en terug.

Die beelden - waren die indertijd ook van zo’n bedenkelijke kwaliteit, of is het archief van de VRT één groot tochtgat waar de elementen vrij spel hebben? Die outfits, strak maar sober en vooral in het geval van Roma: een kleurencombinatie die het onmogelijk maakte voor Inter te supporteren. Maar vooral die spelers die door het beeld schoven: Lothar Matthäus (nog een reden om niet voor Inter te supporteren), Jürgen Klinsmann, Walter Zenga, Nicola Berti, Aldo Serena, Giuseppe Bergomi, Rudi Völler, Aldair, Giuseppe Giannini, Thomas Berthold… Zowat alle sterren van de voorbije Mondiale stonden daar wat tegen elkaar te ballen.

En Ruggiero Rizzitelli, natuurlijk. Ietwat vergeten spits met, gelukkig, een onvergetelijke naam.

“Dat waren nog eens tijden.”

Je zou verwachten dat ik die woorden heb gepreveld, als volbloed nostalgicus.

Maar niets is minder waar.

Ik had gisteravond twee zonen overtuigd om mee te kijken naar de Conference League-finale tussen Roma en Feyenoord. Die zonen liggen dezer dagen alleen maar wakker van wie de Premier League wint en hoeveel Lamborghini’s Kylian Mbappé kan kopen met zijn nieuwe maandwedde. Roma en Feyenoord, daar trekken ze hun neus voor op. Maar, zo zei ik: “Dat is net zo leuk aan die kleinere Europese bekers. Daar zie je nog eens duels tussen leuke teams die anders amper nog op tv komen.” En toen kwam het: “Zoals vroeger. Toen er nog met rechtstreekse uitschakeling werd gespeeld en ik zonder enig kritisch voorbehoud (dat laatste zei ik er niet letterlijk bij) naar KV Mechelen-MTK Boedapest zat te kijken.”

Zowat de hele wedstrijd lang - op dat ene wervelende kwartiertje van Feyenoord na - stond er een gigantische olifant in de kamer. Die toeterde onhoorbaar maar oorverdovend: “Pover niveau.” Halfweg hoopte ik mij op te warmen aan die archiefbeelden van Roma-Inter. Maar tevergeefs. Wat in mijn hoofd is opgeklopt tot legendarische wedstrijden - zie ook de Mondiale van 1990 - waren in feite saaie, defensieve bedoeningen aan een tempo waarmee je vandaag hoogstens… de finale van de Conference League mee bereikt. Zoals Roma dit jaar. Met een coach als Mourinho, die is blijven hangen in de negentiger jaren.

“Dat waren nog eens tijden” kreeg ik dus niet over mijn lippen. Zelfs ik moest toegeven dat het topvoetbal anno 2022 van een totaal ander niveau is dan dat van 1991. En toch. Zet nu spelers van het kaliber van Matthäus & Völler bij clubs als Roma en Feyenoord, en je krijgt misschien wél waar voor je kijkgeld. Maar die vedetten rijden intussen allemaal met hun Lamborghini door Parijs, Londen of Madrid. Dat levert heerlijke wedstrijden op in de Champions League, maar daarachter gaapt een angstaanjagend diepe kloof. En dat blijf ik betreuren, omdat die alsmaar groeiende kloof een symptoom is van het failliet van de sport en bij uitbreiding van de wereld.

Dus ja. Na een nachtje filosoferen blijf ik volharden in de boosheid.

Vroeger was het beter.

Vroeger, in de tijd van Ruggiero Rizzitelli.

En van Frank Raes.

Mijn God, wat mis ik zijn stem.

De Koperen Kogel